KG:063:2026:05 Schenking, wettelijke verdeling, aflossen overbedelingsschuld
Publicatiedatum 22-06-2026, 11:36 | Laatste update 22-06-2026, 11:36 |
Aanleiding
X en Y hebben één kind Z. X overlijdt in 2022 zonder een testament te hebben gemaakt. Y en Z zijn ieder voor gelijke delen erfgenaam van de nalatenschap van X van € 200.000. Op grond van het wettelijk erfrecht worden alle goederen uit de nalatenschap aan Y toegedeeld en krijgt Z een onderbedelingsvordering op Y ter grootte van zijn erfdeel van € 100.000. Deze vordering is opeisbaar als Y overlijdt, maar mag te allen tijde eerder door Y worden afgelost (artikel 4:17 van het Burgerlijk Wetboek; hierna BW).
Vijf jaar na het overlijden van X wil Y door betaling van de schuld af. Y is dan 71 jaar oud en heeft een statistische levensverwachting van 15 jaar. Y verkeert dan in een normale gezondheid. Stel dat in dat jaar de marktrente van artikel 38p, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964) 3% bedraagt.
Vraag
Kan sprake zijn van een schenking als een uit de wettelijke verdeling voortvloeiende uitgesteld opeisbare overbedelingsschuld wordt afgelost tegen de nominale waarde?
Antwoord
Ja. Van een schenking kan sprake zijn als de langstlevende ouder een hoger bedrag aflost dan de contante waarde van de schuld (eventueel inclusief de schuldig gebleven rente).
Om de contante waarde te bepalen, moet de nominale waarde van de schuld tegen een zakelijke rente contant worden gemaakt. De Belastingdienst hanteert hiervoor de marktrente genoemd in artikel 38p, eerste lid, Wet LB 1964.
Als de schuld een rente draagt en dit is een samengestelde rente die gelijk is aan of hoger dan deze marktrente, leidt het aflossen van de nominale waarde van de opgerente overbedelingsschuld niet tot een schenking. In dat geval kan het berekenen van de contante waarde achterwege worden gelaten.
De contante waarde dient wel te worden berekend als de vordering:
- geen rente,
- een enkelvoudige rente of
- een samengestelde rente die lager is dan de marktrente van artikel 38p, eerste lid, Wet LB 1964, draagt.
Beschouwing
Als een schuld wordt afgelost op het moment dat deze opeisbaar is, is dat ‒uiteraard‒ geen schenking. Als een schuld voortijdig wordt afgelost kan wel sprake zijn van een schenking, namelijk indien het betaalde bedrag afwijkt van de waarde van de vordering. Daarbij spelen meerdere elementen een rol, die hieronder kort worden toegelicht.
N.B.: Juridisch is in dit soort gevallen sprake van afkoop. Ter wille van de leesbaarheid wordt de term aflossen gehanteerd.
Verarming en verrijking
Voor het belastbaar feit voor de schenkbelasting verwijst artikel 1, zevende lid, van de Successiewet 1956 (hierna: SW 1956) naar de omschrijving van een gift in artikel 7:186, tweede lid, BW: “iedere handeling die er toe strekt dat degeen die de handeling verricht, een ander ten koste van eigen vermogen verrijkt.” Dit begrip omvat de elementen verrijking, verarming en bevoordelingsbedoeling.
De langstlevende ouder hoeft de overbedelingsschuld en de eventuele rente daarover pas af te lossen als de vordering door het kind opgeëist kan worden. Dit is (uiterlijk) bij het overlijden van de langstlevende ouder het geval (artikel 4:13, derde lid, BW). Als de rente op de schuld lager is dan de marktrente, geniet de ouder in economische zin een voordeel over de schuld aan het kind. Door het voortijdig aflossen van de schuld, geeft de langstlevende ouder dit voordeel prijs. Daardoor verarmt de ouder, verrijkt het kind en er wordt in beginsel van uitgegaan dat men zich hiervan bewust is en dat de ouder daarmee het kind wil bevoordelen.
Marktrente
De Belastingdienst stelt bij de uit de wettelijke verdeling voortvloeiende overbedelingsschuld van de langstlevende ouder de marktrente gelijk aan het percentage bedoeld in artikel 38p, eerste lid, Wet LB 1964 juncto artikel 12.3a Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011. Deze rente is kenbaar en wordt jaarlijks herzien.
Is de verschuldigde rente op de schuld een samengestelde rente die gelijk is aan of hoger is dan deze marktrente, dan wordt de langstlevende ouder geacht geen voordeel te genieten. In die gevallen is geen sprake van een schenking als een aflossing wordt gedaan ten bedrage van de nominale waarde van de vordering vermeerderd met de aangegroeide rente.
Voorkomen van een schenking
Als de verschuldigde samengestelde rente op de schuld lager is dan de in het jaar van aflossing geldende marktrente uit de loonbelasting, geeft de langstlevende ouder door het aflossen van de schuld het hiervoor genoemde voordeel prijs. Hetzelfde geldt als de langstlevende ouder geen rente of een enkelvoudige rente is verschuldigd.
Een schenking wordt dan voorkomen als een aflossing wordt gedaan ten bedrage van de zogeheten contante waarde van de schuld. De formule daarvoor is:
de contante waarde = nominale waarde / (1+m)t
m= marktrente
t = de looptijd totdat de vordering opeisbaar zou zijn, dit is de statistische levensverwachting van de langstlevende ouder.
Enkele rekenvoorbeelden volgen hierna.
Waarde schenking voor de Successiewet
Als bij de aflossing wel sprake is van een schenking, wordt de hoogte daarvan bepaald aan de hand van de bepalingen uit de Successiewet voor de waardering van een (fictief) vruchtgebruik. De wet kent namelijk een eigen rente en een op levensverwachting gebaseerde looptijd. Voor de Successiewet heeft de langstlevende ouder een (gedeeltelijk) vruchtgebruik van de overbedelingsschuld als deze daarover een lagere rente dan 6% samengestelde rente is verschuldigd.
Voorbeeld renteloze overbedelingsschuld
In de casus (van de aanleiding) bedraagt de overbedelingsschuld aan Z nominaal € 100.000. Y is geen rente over deze schuld verschuldigd. Omdat over de schuld een lagere rente verschuldigd is dan de te hanteren marktrente geniet Y een voordeel over de schuld aan Z. Door het voortijdig aflossen van de schuld geeft Y dit voordeel prijs. Y kan een schenking voorkomen door de contante waarde van de overbedelingsschuld aan Z te betalen.
Bij een marktrente van 3%, bedraagt de contante waarde van de overbedelingsvordering € 100.000 / (1,03)15 = € 64.186. Als Y ter aflossing van zijn schuld € 64.186 aan Z betaalt, is er geen sprake van een schenking.
Als Y met de bewustheid en wil om Z te bevoordelen bijvoorbeeld € 80.000 betaalt, verarmt Y en verrijkt Z op moment van aflossing en is wel sprake van een schenking.
Het vruchtgebruik over € 100.000 bedraagt volgens de waarderingsbepalingen van de Successiewet gezien de leeftijd van Y van 71 jaar, 42% of wel € 42.000 (bij 71 jaar hoort een looptijd van 7 en de rekenrente bedraagt 6%, zie artikel 5 en 10 Uitvoeringsbesluit SW 1956). De vordering van Z wordt gewaardeerd op de volle waarde minus het vruchtgebruik (zie artikel 21, elfde lid, SW 1956) en bedraagt derhalve € 100.000 – 42.000 = € 58.000. Y betaalt in dit voorbeeld € 80.000 voor iets dat binnen de Successiewet een waarde heeft van € 58.000. De schenking wordt voor de schenkbelasting gewaardeerd op het verschil, oftewel € 22.000.
Overbedelingsschuld met samengestelde rente
Het komt regelmatig voor dat een overbedelingsschuld rentedragend is en die rente tegelijk met de hoofdsom opeisbaar is. De schuld en de aangegroeide rente zijn dan uiterlijk opeisbaar bij het overlijden van de langstlevende ouder.
Als de samengestelde rente van de overbedelingsschuld lager is dan de marktrente van artikel 38p, eerste lid, Wet LB 1964 kan sprake zijn van een schenking als de langstlevende ouder een aflossing doet ten bedrage van de nominale waarde vermeerderd met de aangegroeide rente. Zoals hierboven toegelicht geeft de langstlevende ouder dan een voordeel prijs. Dit is niet het geval als de verschuldigde samengestelde rente gelijk of hoger is dan deze marktrente.
Voorbeeld samengestelde rente gelijk of hoger dan marktrente
Nog steeds gelden dezelfde uitgangspunten van de casus. Als Y 4% samengestelde rente over de overbedelingsschuld van € 100.000 verschuldigd is, bedraagt de opgerente schuld op moment van aflossing na vijf jaar € 100.000 x (1,04)5 = € 121.665,30. Als Y dit bedrag aan Z betaalt, is er geen sprake van een schenking. De verschuldigde samengestelde rente is immers hoger dan de op moment van aflossing geldende marktrente van artikel 38p, eerste lid, Wet LB 1964 van 3%. Hetzelfde geldt als de verschuldigde samengestelde rente gelijk zou zijn geweest aan deze marktrente.
Voorbeeld samengestelde rente lager dan marktrente
Als de verschuldigde samengestelde rente lager is dan de op moment van aflossing geldende marktrente van artikel 38p, eerste lid, Wet LB 1964, is een aanvullende berekening nodig ter bepaling van de contante waarde van de opgerente schuld. Dit gebeurt aan de hand van de hierboven opgenomen formule. De verschuldigde samengestelde rente wordt in deze formule in mindering gebracht op de marktrente (m). Dit is wederom de op moment van aflossing geldende marktrente van artikel 38p, eerste lid, Wet LB 1964.
De looptijd wordt bepaald op het moment van aflossen van de lening en is afhankelijk van de statistische levensverwachting van de langstlevende ouder op dat moment.
Nog steeds gelden dezelfde uitgangspunten van de casus. Maar stel dat de verschuldigde samengestelde rente 2% bedraagt. In het jaar van aflossen bedraagt de opgerente schuld € 100.000 x (1,02)5 = € 110.408. De marktrente van artikel 38p, eerste lid, Wet LB 1964 bedraagt in het jaar van aflossen 3%. De contante waarde van de opgerente overbedelingsschuld wordt dan berekend met het verschil tussen beide rentepercentages, hier dus 1%. Y had dit voordeel van een lagere rente dan die marktrente nog gedurende zijn leven (hier nog 15 jaar) kunnen genieten. De contante waarde van deze schuld is dan ook € 110.408 / (1,01)15 = € 95.099. Bij betaling van dat bedrag ter aflossing van de schuld en de opgebouwde rente, is geen sprake van een schenking.
Wordt ter aflossing meer betaald dan deze contante waarde, dan wordt de hoogte van de schenking berekend aan de hand van de rente van 6% en de op levensverwachting gebaseerde looptijd zoals opgenomen in de Successiewet.
Overbedelingsschuld met enkelvoudige rente
Als sprake is een enkelvoudige rente moeten de hoofdsom en de renteschuld afzonderlijk worden bekeken. Over de hoofdsom is namelijk wel elk jaar rente verschuldigd, maar over de opgebouwde renteschuld niet. De langstlevende ouder geniet dan altijd een voordeel over de opgebouwde renteschuld. Daarom dient bij aflossing altijd de contante waarde van deze renteschuld te worden berekend. Het aflossen van deze contante waarde van de renteschuld voorkomt een schenking.
Om te bepalen of de langstlevende ouder ook een voordeel geniet over de hoofdsom moet de verschuldigde enkelvoudige rente op het moment van aflossing worden omgerekend naar een samengestelde rente. Als deze samengestelde rente gelijk of hoger is dan de marktrente van artikel 38p, eerste lid, Wet LB 1964 op moment van aflossen, is het betalen van de nominale waarde van de hoofdsom en de contante waarde van de renteschuld geen schenking.
Is de omgerekende samengestelde rente lager dan de marktrente, dan wordt een schenking voorkomen door niet meer te betalen dan de contante waarde van de hoofdsom en de contante waarde van de renteschuld. Deze twee contante waarden moeten afzonderlijk worden berekend, omdat alleen over de hoofdsom een rente is verschuldigd.
Wordt meer betaald dan wordt de hoogte van de schenking berekend aan de hand van de rente en de op levensverwachting gebaseerde looptijd in de Successiewet.
Voorbeeld enkelvoudige rente
Nog steeds gelden dezelfde uitgangspunten van de casus. Stel dat de verschuldigde rente een enkelvoudige rente van 7% is. Op moment van aflossen bedraagt de opgebouwde renteschuld € 100.000 x 7% x 5 jaar = € 35.000. Op moment van aflossen is op basis van de statistische levensverwachting van Y van 15 jaar de enkelvoudige rente van 7% gelijk aan een samengestelde rente van 4,9% (berekend met de methode van Hoge Raad van 11 juli 1989, BNB 1989/260). Deze samengestelde rente is hoger dan de in de casus geldende marktrente van 3% samengesteld. Hierdoor is het geen schenking als de hoofdsom voor de nominale waarde van € 100.000 wordt afgelost.
Van de renteschuld moet wel de contante waarde worden berekend, aangezien over deze renteschuld geen rente is verschuldigd. Y geniet daardoor een voordeel over deze renteschuld. De contante waarde bedraagt € 35.000 / (1,03)15 = € 22.465,17. Samenvattend: er is geen sprake van een schenking als Y € 122.466 aan Z betaalt.
Rente meer dan 6% samengesteld
Als de renteschuld over de overbedelingsschuld meer bedraagt dan de renteschuld bij een rente van 6% samengesteld, dan is dat een bovenmatige renteschuld in de zin van de Successiewet. Aflossing is dan een fictieve schenking van het bovenmatige deel van de renteschuld (artikel 9, tweede lid, SW 1956).