Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

KG:063:2026:2 Schenking en borgstelling

Aanleiding

B richt een persoonlijke holding (Kind BV) op, met € 1 kapitaal. Kind BV koopt de volgende dag voor € 5 miljoen de aandelen in Werk BV van een derde. De volledige koopsom wordt door Kind BV onder zakelijke voorwaarden van een bank geleend. Deze lening is mogelijk doordat de vader van B persoonlijk borg staat voor deze lening. Kind BV hoeft voor deze borgstelling geen vergoeding (ook wel borgstellingsprovisie genoemd) aan de vader van B te betalen.

Vraag

Is een borgstelling voor een door een derde verstrekte lening aan een BV een schenking, als de borgsteller hiervoor een lagere dan zakelijke vergoeding van die BV ontvangt?

Antwoord

Ja, als een borgsteller uit vrijgevigheid genoegen neemt met een lagere dan zakelijke vergoeding voor de borgstelling is sprake van een schenking aan degene die voordeel heeft bij die borgstelling. Dat is de aandeelhouder van de lenende BV. De verrijking betreft de waardestijging van diens aandelen, die het gevolg is van de borgstelling tegen een lagere dan zakelijke vergoeding in combinatie met een lening onder aantrekkelijkere voorwaarden.

Beschouwing

Borgstelling - de juridische term is borgtocht (artikel 7:850 van het Burgerlijk Wetboek) - is de overeenkomst waarbij de borgsteller ofwel borg zich tegenover de schuldeiser verbindt tot nakoming van een verbintenis, die de hoofdschuldenaar tegenover de schuldeiser heeft of zal krijgen. Voor een borgstelling wordt in het economische verkeer door de hoofdschuldenaar een vergoeding betaald aan de borgsteller. In de casus (van de aanleiding) is vader de borgsteller, de bank de schuldeiser en Kind BV de hoofdschuldenaar.

Schenking

Voor de Successiewet wordt onder schenking verstaan de gift zoals verwoord in artikel 7:186, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek. Een gift is daar omschreven als “iedere handeling die er toe strekt dat degeen die de handeling verricht, een ander ten koste van eigen vermogen verrijkt”. Voor een gift is nodig: verarming van de schenker en verrijking van de begiftigde, als gevolg van een handeling met een bevoordelingsbedoeling (zie HR 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7272). Hieronder worden deze voorwaarden uitgewerkt aan de hand van de casus van de aanleiding.

Uitwerking casus

Vrijgevigheid

Voor een gift is nodig dat de borgstelling tot stand is gekomen met een bevoordelingsbewustheid en een bevoordelingswil bij de borgsteller. Door de borgstelling loopt vader in privé risico op aansprakelijkheid. In het economische verkeer zou niemand dat risico onder deze voorwaarden aanvaarden. Een zakelijk handelende derde zal niet of enkel tegen een zakelijke vergoeding bereid zijn om borg te staan voor de schuld van Kind BV.

Vader aanvaardt door de borgstelling het aansprakelijkheidsrisico en zal zich er van bewust zijn dat hij door het niet bedingen van een vergoeding iemand bevoordeelt. Vader heeft de wil om B te bevoordelen. Hij zou de borgstelling onder deze condities niet met een willekeurige derde zijn aangegaan.

Verarming

Van verarming is sprake omdat uit de borgstelling een verplichting voortvloeit, waaraan een waarde wordt toegekend. Vader verbindt zich op het moment van de borgstelling tot (mogelijke) nakoming van een verbintenis van Kind BV jegens de bank. Doordat de verplichting op het vermogen van vader drukt en hij geen zakelijke vergoeding ontvangt, neemt zijn vermogen meteen af. Dat hij alleen de schuld hoeft af te lossen als Kind BV haar verbintenis niet nakomt, doet daar niet aan af.

In de woorden van de Hoge Raad (Hoge Raad 19 december 1934, B. 5748, PW 13666):

“Dat art. 8 der Wet op de Vermogensbelasting 1892 voorschrijft dat, ter berekening van het zuiver vermogen, de totale waarde der bezittingen verminderd wordt met de contante waarde van de schulden ten laste van den belastingplichtige;

dat, zoals ten deze vaststaat, belanghebbende zich heeft gesteld tot borg voor de schulden van haar zoon bij een tweetal banken, en de Raad van beroep heeft geoordeeld, dat het aangehaalde wetsvoorschrift toepassing mist, wijl op 1 Mei 1932 nog niet vaststond, dat in den loop van het belastingjaar belanghebbende als borg door de banken zou worden aangesproken;

dat dit oordeel niet juist is, daar deze omstandigheid onverlet laat, dat hier sprake is van schulden, op 1 Mei 1932 ten laste van belanghebbende bestaande, zij het dat deze zich slechts verbonden had als borg.”

Verrijking

Dat vader zich borg stelt leidt tot een waardestijging van de aandelen in Kind BV. Deze waardestijging ontstaat doordat Kind BV door de borgstelling onder aantrekkelijke voorwaarden geld kan lenen bij een bank. Dankzij deze voorwaarden en het niet verschuldigd zijn van een (zakelijke) borgstellingsprovisie worden de aandelen in Kind BV meer waard. De aandelen in deze BV zijn dan ook meer waard dan de aandelen in een vergelijkbare besloten vennootschap, die geen of een minder gunstige borgstelling kan aantrekken.

Degene die van de waardestijging van de aandelen profiteert, is de aandeelhouder van Kind BV. Dus B verrijkt door de borgstelling tegen een lagere dan zakelijke vergoeding (vergelijk KG:063:2024:9). De verschuldigde schenkbelasting wordt in casu berekend naar tariefgroep I en met de vrijstelling voor een kind.

Schenkingsmoment

Het verstrekken van een borgstelling tegen een lagere dan zakelijke vergoeding is een gift op moment van verstrekken. Dat de borgsteller pas daadwerkelijk aan de bank hoeft te betalen op het moment dat hij wordt aangesproken is niet bepalend voor het moment van de gift. Het verstrekken van een borgstelling tegen een lagere dan zakelijke vergoeding is dus onmiddellijk een gift, ongeacht of de borgsteller wordt aangesproken.

Deel deze pagina