Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

KG:070:2023:11 Verkorten looptijd nabestaandenlijfrente en al verstreken uitkeringsduur

Aanleiding

De belastingplichtige heeft een uitkerende nabestaandenlijfrenterekening bedongen na het overlijden van zijn kind. De belastingplichtige heeft de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. De nabestaandenlijfrente heeft een looptijd van twintig jaar, waarbij de uitkeringen per half jaar achteraf plaatsvinden. De uitkeringen lopen al een jaar bij de belastingplichtige. Op grond van artikel 3.126a, vierde lid, onderdeel b, onder 2°, Wet IB 2001 mag de looptijd van twintig jaar verminderd worden met het aantal jaren tussen het tijdstip waarop de belastingplichtige de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt en het tijdstip van het uitkeren van de eerste termijn. De belastingplichtige wil de ingegane nabestaandenlijfrente omzetten in een nabestaandenlijfrente met een kortere looptijd.

Vragen

  1. Mag bij de omzetting van de ingegane nabestaandenlijfrente in een nabestaandenlijfrente met een kortere looptijd rekening worden gehouden met de al verstreken uitkeringsduur?
  2. Hoe lang moet de looptijd van de uitkeringen van de nieuwe nabestaandenlijfrente minimaal zijn, als de belastingplichtige vijftien jaar geleden de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt?  
  3. De belastingplichtige heeft twintig jaar geleden de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Is een minimale uitkeringsduur van twee termijnen vereist?

Antwoorden

  1. Nee. Er mag geen rekening worden gehouden met de al verstreken uitkeringsduur.
  2. De looptijd van de uitkeringen bedraagt in deze situatie minimaal vijf jaar.
  3. Nee. Als de termijnen toekomen aan een persoon die op het tijdstip van omzetting een leeftijd heeft bereikt die twintig jaar hoger is dan de AOW-gerechtigde leeftijd, bedraagt het aantal jaren tussen de eerste en de laatste termijn nihil.

Beschouwing

Antwoord 1

Op grond van artikel 3.134, eerste lid, Wet IB 2001 kan een lijfrente worden omgezet in een ander zodanig recht zonder dat op grond van artikel 3.133 Wet IB 2001 een negatieve uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking wordt genomen.

Het omzetten van de nabestaandenlijfrente in een andere nabestaandenlijfrente valt onder de reikwijdte van artikel 3.134, eerste lid, Wet IB 2001.

In deze situatie is sprake van omzetting van een nabestaandenlijfrente met een looptijd van twintig jaar in een ander type nabestaandenlijfrente en daardoor tellen de eerdere uitkeringsjaren niet mee.

Antwoord 2

Na het overlijden van het kind komen de termijnen uit het tegoed van de lijfrenterekening toe aan de belastingplichtige. Op grond van artikel 3.126a, vierde lid, onderdeel b, onder 2°, Wet IB 2001 is de uitkeringsduur ten minste twintig jaar, verminderd met het aantal jaren tussen het tijdstip waarop de belastingplichtige de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt en het tijdstip van het uitkeren van de eerste termijn. De belastingplichtige is immers een bloed- of aanverwant, niet zijnde de partner of gewezen partner, in de rechte lijn of in de tweede of derde graad van de zijlijn die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt.

Er is vijftien jaar verstreken sinds de belastingplichtige de AOW-gerechtigde leeftijd bereikte. De uitkeringen moeten dus nog vijf jaar lopen.

Antwoord 3

Volgens artikel 3.126a, vierde lid, aanhef, Wet IB 2001 moet het tegoed van een lijfrenterekening in vaste en gelijkmatige termijnen met een gelijke tussenperiode van ten hoogste een jaar worden uitgekeerd. Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat altijd ten minste twee termijnen moeten worden uitgekeerd, zowel bij in leven zijn van de rekeninghouder, als bij diens overlijden.

Als de belastingplichtige op het tijdstip van omzetting al een leeftijd heeft bereikt die twintig jaar hoger is dan zijn AOW-gerechtigde leeftijd, bedraagt het aantal jaren tussen de eerste en de laatste termijn per saldo nihil. In dat geval mag het lijfrentetegoed in één keer worden uitgekeerd.

Gelet op de hoge leeftijd van de gerechtigde en ingegeven door redenen van doelmatigheid, is het in de geschetste situatie niet nodig dat wordt voldaan aan het vereiste dat ten minste twee termijnen moeten worden uitgekeerd. Een uitkering ineens komt dan ook niet in strijd met de bepaling van artikel 3.126a, vierde lid, aanhef, Wet IB 2001. Er is in dat geval geen sprake van een verboden handeling in de zin van artikel 3.133, eerste lid en tweede lid, Wet IB 2001. De uitkering ineens wordt aangemerkt als een termijn van lijfrente.

Ter informatie!  Toelichting op update van 27 augustus 2026

Er is een nieuwe vraag toegevoegd (vraag 3) en de beschouwing bij antwoord 2 is aangepast. Het antwoord op vraag 3 betreft een wijziging ten opzichte van de beschouwing die bij antwoord 2 stond. Er hoeft niet te worden voldaan aan het vereiste dat ten minste twee termijnen moeten worden uitgekeerd. Daarnaast betreft het enkele redactionele wijzigingen, waarmee inhoudelijk geen wijzigingen zijn beoogd.

Deel deze pagina