Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

KG:070:2023:14 Aftrekbaarheid premies lijfrente meerderjarig invalide (klein)kind

Aanleiding

De belastingplichtige en zijn partner hebben een invalide (klein)kind. Er wordt een lijfrente afgesloten als bedoeld in artikel 3.124, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001). Het (klein)kind is op de polis opgenomen als verzekerde en enige begunstigde. De belastingplichtige (hierna: de (groot)ouder) betaalt de premies voor de lijfrente.

Vragen

  1. Bij wie zijn de premies voor de lijfrente aftrekbaar, als het (klein)kind als verzekeringnemer is opgenomen en de (groot)ouder als premiebetaler?
  2. Bij wie zijn de premies voor de lijfrente aftrekbaar, als de (groot)ouder als verzekeringnemer is opgenomen?
  3. Is een bancaire variant voor de lijfrente mogelijk?
  4. Is de premieaftrek ook mogelijk als het (klein)kind op het moment van premiebetaling nog niet invalide is, maar gelet op de medische prognose wel invalide zal zijn op het moment dat de uitkeringen ingaan?
  5. Is de premieaftrek aan een vastgesteld maximumbedrag gebonden?

Antwoorden

  1. De premies zijn aftrekbaar bij de (groot)ouder die als premiebetaler op de polis is opgenomen.
  2. De premies zijn aftrekbaar bij de (groot)ouder die als verzekeringnemer op de polis is opgenomen.
  3. Nee. Een bancaire variant is voor deze lijfrente niet mogelijk.
  4. Ja, als voldoende duidelijkheid bestaat over de te verwachten toekomstige invaliditeit van het (klein)kind.
  5. Nee. In de Wet IB 2001 is geen getalsmatig maximum opgenomen. Er geldt echter wel een bepaalde mate van begrenzing van de premieaftrek. De lijfrente moet (kunnen) voorzien in het levensonderhoud van het (klein)kind.

Beschouwing

Antwoord 1
Op grond van artikel 3.124, aanhef en eerste lid, onderdeel b, Wet IB 2001 zijn premies aftrekbaar als uitgaven voor inkomensvoorzieningen als ze drukken op de belastingplichtige. Het (klein)kind is als verzekeringnemer op de polis opgenomen. De (groot)ouder kan de premie aftrekken als hij op de polis of op een clausuleblad (premiebetalersclausule) als premiebetaler is opgenomen en de premies betaalt. De (groot)ouder is dan degene die feitelijk de premie aan de verzekeraar verschuldigd is. De premies drukken op hem.

Antwoord 2
De premies zijn aftrekbaar bij de (groot)ouder, als hij op de polis is opgenomen als verzekeringnemer en hij de premies betaalt. De premies drukken op hem omdat hij deze verschuldigd is en betaalt. Het (klein)kind moet in dit geval ook als verzekerde en enige begunstigde zijn opgenomen op de polis.

Antwoord 3
In artikel 3.126a Wet IB 2001 ontbreekt de variant van een lijfrente voor invalide (klein)kinderen. Een bancaire variant voor een dergelijke lijfrente is daarom niet mogelijk. In de Kamerstukken II 2008/09, 32128, nr. 3, p. 40 is hierover het volgende opgemerkt:

“Ook de lijfrente voor het invalide (klein)kind lijkt zich niet goed te lenen voor een bankspaarvariant. Een van de vereisten van deze faciliteit is namelijk dat het om een levenslange uitkering moet gaan. Dan is er dus per definitie sprake van een langlevenrisico. Een fictie voor een minimale uitkeringstermijn gebaseerd op de gemiddelde leeftijdsverwachting – zoals bij de lijfrentespaarrekening en lijfrentebeleggingsrecht – lijkt niet werkbaar, omdat de individuele leeftijdsverwachting, afhankelijk van de aard van de invaliditeit, sterk zal fluctueren.”

Antwoord 4
Premieaftrek is eveneens mogelijk voor een lijfrente voor een (klein)kind dat op het tijdstip van premiebetaling nog niet invalide is. Wel moet op grond van een medische prognose duidelijk zijn dat het (klein)kind invalide zijn op het moment dat de uitkeringen ingaan. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit een verklaring van een medisch specialist over de te verwachten ontwikkeling van het ziektebeeld.

Antwoord 5
In artikel 3.124, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 2001 is geen getalsmatig maximum opgenomen voor de aftrek van lijfrentepremies ten behoeve van meerderjarige invalide (klein)kinderen. De voorganger van deze bepaling is artikel 45, eerste lid, onderdeel g, onder 5°, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964), zoals deze bepaling luidde op 31 december 2000. Deze bepaling was de opvolger van artikel 45, vierde lid, Wet IB 1964, zoals die bepaling luidde tot 1 januari 1992. In deze laatste bepaling was bepaald dat de lijfrenten dienden te strekken tot voorziening in het levensonderhoud van het invalide kind. In de tekst met ingang van 1 januari 1992 is dit niet opgenomen. In de Kamerstukken II 1988/89, 21198, nr. 3, p. 13 is echter vermeld:

“De bestaande wettelijke regeling op het punt van lijfrenten voor meerderjarige invalide kinderen blijft nagenoeg ongewijzigd.”

De premies worden met andere woorden betaald om een inkomensvoorziening op te bouwen voor geestelijk of lichamelijk invalide (klein)kinderen die niet of slechts gedeeltelijk in staat zijn of zullen zijn om in hun eigen levensonderhoud te voorzien. Dit betekent dat de lijfrenteuitkeringen moeten (kunnen) voorzien in het levensonderhoud van het (klein)kind. De beoordeling of een lijfrente daarin kan voorzien kan ruimhartig zijn. Er moet ten minste rekening worden gehouden met het inkomensniveau en de maatschappelijke positie van de ouders en het feit dat aan invaliditeit extra kosten zijn verbonden.

Let op!  Toelichting op update van 20 februari 2026

Het standpunt is uitgebreid met vragen 4 en 5. Deze zijn gebaseerd op onderdeel 3.1 van het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 16 mei 2019 (Stcrt. 2019, 30558). Dit onderdeel is niet opgenomen in het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 21 januari 2025 (Stcrt. 2025, 3741).

Deel deze pagina