KG:070:2026:6 Belastbaarheid termijnen van een Pre Brede Herwaarderingslijfrente aan minderjarig (klein)kind.
Publicatiedatum 25-09-2026, 16:28 | Laatste update 25-09-2026, 16:28 |
Aanleiding
De belastingplichtige heeft een Pre Brede Herwaarderingslijfrente (hierna: Pre BHW lijfrente). Zijn minderjarig (klein)kind is begunstigde van de termijnen.
Vragen
- Worden deze termijnen belast bij het minderjarige (klein)kind als begunstigde of bij de ouder(s)?
- Moet op de termijnen loonbelasting worden ingehouden?
Antwoorden
- De termijnen zijn belast bij de ouder met het hoogste persoonlijke arbeidsinkomen. De termijnen zijn belast als belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 3.100 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).
- Ja. Er moet op grond van artikel 34 van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964) en artikel 11 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (hierna: UBLB 1965) loonbelasting worden ingehouden.
Beschouwing
Antwoord 1
Voor op 1 januari 2001 bestaande rechten en verplichtingen ter zake van periodieke uitkeringen en verstrekkingen is in hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, eerste lid, aanhef, onderdeel a en slotzin, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 bepaald dat de regels die golden op 31 december 2000 blijven gelden. Vervolgens geldt dat voor Pre BHW lijfrenten op grond van artikel 75 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964) (tekst 2000) de regels van de Wet IB 1964 van kracht blijven zoals die golden op 31 december 1991.
Op grond van artikel 25 Wet IB 1964 (tekst 1991) behoren termijnen van lijfrenten tot de inkomsten uit vermogen. De slotzin van hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, eerste lid, Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 bepaalt dat deze uitkeringen worden aangemerkt als belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 3.100 Wet IB 2001.
Op grond van artikel 5, elfde lid, Wet IB 1964 (tekst 1991) worden inkomsten uit vermogen van een minderjarig kind toegerekend aan de ouder die het gezag over het kind uitoefent, namelijk de ouder met het hoogste persoonlijke arbeidsinkomen (eerste lid). Het persoonlijke arbeidsinkomen werd tot 2001 bepaald op grond van artikel 5, tweede en derde lid, Wet IB 1964. Tot het persoonlijke arbeidsinkomen behoorden de winst uit onderneming, de zuivere inkomsten uit arbeid en de zuivere inkomsten in de vorm van termijnen van lijfrenten en andere periodieke uitkeringen en verstrekkingen welke worden genoten ingevolge bepaalde stamrechten.
In de Wet IB 2001 komt het begrip ‘inkomsten uit arbeid’ niet als zodanig terug. Maar, het begrip ‘arbeidsinkomen’ wel. In artikel 8.10, eerste lid, onderdeel e, Wet IB 2001 is dit begrip als volgt omschreven: “het gezamenlijke bedrag van hetgeen door de belastingplichtige met tegenwoordige arbeid is genoten als winst uit een of meer ondernemingen, loon en resultaat uit een of meer werkzaamheden.”
Daarnaast kent de Wet IB 2001 nog steeds inkomsten in de vorm van termijnen van lijfrenten en andere periodieke uitkeringen en verstrekkingen.
Een redelijke wetstoepassing leidt ertoe dat vanaf 2001 voor de berekening van het persoonlijk arbeidsinkomen moet worden uitgegaan van het inkomen uit werk en woning (box 1), exclusief de belastbare inkomsten uit eigen woning en de inkomsten uit ter beschikking gestelde bezittingen.
Hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, eerste lid, aanhef, onderdeel a, en slotzin, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 bepaalt ten slotte dat de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 3.100 Wet IB 2001 als inkomsten in box 1 worden aangemerkt.
Antwoord 2
Ter vergemakkelijking van de heffing van inkomstenbelasting is in artikel 34 Wet LB 1964 bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld ingevolge welke de loonbelasting mede wordt geheven van natuurlijke personen, die termijnen van lijfrenten genieten. Dit is gebeurd in artikel 11 UBLB 1965.
In artikel 11, eerste lid, onderdeel a, onder 6o, UBLB 1965 is bepaald dat loonbelasting mede wordt geheven van deze periodieke uitkeringen en verstrekkingen.