Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de footer

KG:202:2023:4 Fiscaal partnerschap bij beëindiging geregistreerd partnerschap met wederzijds goedvinden

Aanleiding

Belastingplichtigen hebben een geregistreerd partnerschap. Met wederzijds goedvinden besluiten zij het geregistreerde partnerschap te beëindigen.

In deze casus wordt ervan uitgegaan dat belastingplichtigen niet meer op hetzelfde woonadres in de basisregistratie personen (hierna: BRP) staan ingeschreven.

Vraag

Vanaf welk moment zijn belastingplichtigen bij een beëindiging van geregistreerd partnerschap met wederzijds goedvinden geen fiscaal partner meer van elkaar in de zin van artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR)?

Antwoord

Er is geen sprake meer van partnerschap in de zin van artikel 5a AWR op het tijdstip waarop beide partijen de beëindigingsovereenkomst van het geregistreerd partnerschap hebben ondertekend.

Beschouwing

Artikel 1:80c, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) geeft aan hoe het geregistreerd partnerschap kan eindigen. Het geregistreerd partnerschap kan onder andere eindigen met wederzijds goedvinden door inschrijving door de ambtenaar van de burgerlijke stand van een door beide partners en een of meer advocaten of notarissen ondertekende en gedagtekende verklaring waaruit blijkt dat en op welk tijdstip de partners omtrent de beëindiging van het geregistreerd partnerschap een overeenkomst hebben gesloten (artikel 1:80c, eerste lid, onderdeel c, BW).

Op grond van artikel 5a, vierde lid, AWR wordt een persoon niet meer als fiscaal partner aangemerkt als een verzoek tot echtscheiding, respectievelijk tot scheiding van tafel en bed is ingediend en de partner niet meer op hetzelfde woonadres in de BRP staat ingeschreven als de belastingplichtige. Omdat in artikel 2, zesde lid, AWR de bepalingen inzake de gevolgen van het aangaan/beëindigen van een huwelijk van overeenkomstige toepassing worden verklaard op het aangaan/beëindigen van een geregistreerd partnerschap, is artikel 5a, vierde lid, AWR ook van toepassing bij beëindiging van een geregistreerd partnerschap.

Er zijn bij een beëindiging van geregistreerd partnerschap met wederzijds goedvinden meerdere tijdstippen te onderscheiden, namelijk:

  1. het tijdstip van het feitelijk uiteengaan;
  2. het tijdstip van het schriftelijke verzoek aan de notaris of advocaat om de hiervoor bedoelde verklaring op te stellen;
  3. het tijdstip van de beëindigingsovereenkomst tussen partijen;
  4. het tijdstip waarop de verklaring is ondertekend door de advocaat;
  5. het tijdstip waarop de verklaring is ingestuurd naar de burgerlijke stand;
  6. het tijdstip van de inschrijving.

Het is de vraag welk tijdstip bij het beëindigen van geregistreerd partnerschap met wederzijds goedvinden het meest aansluit bij artikel 5a, vierde lid, onderdeel a, AWR. De wetgever heeft in deze bepaling aangesloten bij het indienen van het verzoek tot echtscheiding/scheiding van tafel en bed, omdat dit een objectief bepaalbaar criterium is.

Indien bij het tijdstip van het feitelijk uiteengaan (tijdstip 1) zou worden aangesloten, wordt er voor geregistreerd partners tot aan het tijdstip waarop de verklaring tot beëindiging van het geregistreerd partnerschap is ingeschreven in de burgerlijke stand een soort duurzaam gescheiden leven geïntroduceerd. Dit criterium is bij de invoering van het nieuwe partnerbegrip in 2011 juist geschrapt en vervangen door een objectief bepaalbaar criterium.

Het tijdstip van het schriftelijke verzoek aan de notaris of advocaat (tijdstip 2) bevindt zich in een eerder stadium dan het tijdstip waarop het echtscheidingsverzoek zoals bedoeld in artikel 5a, vierde lid, onderdeel a, AWR wordt ingediend. Gelijktijdig met een gezamenlijk verzoek tot echtscheiding/scheiding van tafel en bed bij de rechtbank dient namelijk ook een echtscheidingsovereenkomst te worden overgelegd.

De beëindigingsovereenkomst bij een geregistreerd partnerschap is gelijk te stellen aan de echtscheidingsovereenkomst. Deze afspraken zijn op het moment waarop het echtscheidingsverzoek wordt ingediend al vastgelegd door de advocaat. Het tijdstip van de beëindigingsovereenkomst (tijdstip 3) en het tijdstip waarop de verklaring is ondertekend (tijdstip 4) bevinden zich zodoende vóór het moment van het insturen van de verklaring (tijdstip 5). Tussen deze twee tijdstippen bevindt zich een toetsmoment waarop de beëindigingsovereenkomst wordt geverifieerd door een advocaat. In het geval van een echtscheidingsprocedure wordt deze toetsing verricht door de rechter.

Het tijdstip waarop de ondertekende verklaring om het geregistreerd partnerschap met wederzijds goedvinden te beëindigen wordt ingestuurd naar de ambtenaar van de burgerlijke stand (tijdstip 5), is te vergelijken met het moment waarbij een echtscheiding is uitgesproken en deze vervolgens wordt ingeschreven bij de burgerlijke stand. Dit tijdstip bevindt zich daarom in een latere fase dan waarop artikel 5a, vierde lid, onderdeel a, AWR ziet.

Bij het indienen van een echtscheidingsverzoek heeft het zogenaamde toetsmoment nog niet plaatsgevonden. Daarnaast hebben partijen bij wederzijdse instemming vanaf dit moment ook geen verdere invloed meer op de verdere beoordeling van de echtscheidingsovereenkomst. Deze wordt dan namelijk voorgelegd aan de rechter waarna een uitspraak volgt. Het voorgaande geldt tevens voor de beëindigingsovereenkomst in tijdstip 3. Vanaf dit moment hebben beide partijen deze ondertekend en hebben zij geen invloed meer op de verdere beoordeling. Tijdstip 3 komt daarom het meest overeen met het criterium dat een verzoek tot echtscheiding/scheiding van tafel en bed is ingediend. Aangezien de beëindigingsovereenkomst wordt ondertekend, is dit criterium ook objectief bepaalbaar.

Uiteraard moet voor het einde van het fiscaal partnerschap ook zijn voldaan aan de voorwaarde dat de belastingplichtigen niet op hetzelfde woonadres in de BRP staan ingeschreven (artikel 5a, vierde lid, onderdeel b, AWR).

Ten overvloede, indien het geregistreerd partnerschap niet wordt beëindigd met wederzijds goedvinden, zal via een advocaat aan de rechter moeten worden verzocht om de ontbinding uit te spreken. Dit is ook het geval indien er sprake is van minderjarige kinderen. Deze procedure is nagenoeg gelijk aan die van de echtscheidingsprocedure. Op het moment dat door de advocaat een verzoek tot ontbinding van het geregistreerde partnerschap is ingediend bij de rechtbank, is voldaan aan de voorwaarde in artikel 5a, vierde lid, onderdeel a, AWR.

Deel deze pagina

Op deze pagina