KG:202:2026:13 Niet vergoede medicijnen en uitgaven voor specifieke zorgkosten
Publicatiedatum 30-09-2026, 13:12 | Laatste update 30-09-2026, 13:12 |
Aanleiding
Belastingplichtige gebruikt op voorschrift van een arts medicijnen voor een bepaalde ziekte. Belastingplichtige gebruikt een geneesmiddel van het merk X, terwijl het geneesmiddel van merk Y dezelfde werkzame stof bevat en dezelfde werking heeft. De zorgverzekeraar vergoedt uitsluitend de aanschafkosten van het geneesmiddel van merk Y. De aanschafkosten van het geneesmiddel van het merk X worden door de verzekeraar voor deze belastingplichtige niet vergoed.
Vraag
Kunnen de aanschafkosten van een bij ministeriële regeling aangewezen geneesmiddel, dat niet wordt vergoed door de zorgverzekeraar omdat de zorgverzekeraar enkel een vergelijkbaar aangewezen geneesmiddel vergoed, in aanmerking worden genomen als uitgaven voor specifieke zorgkosten?
Antwoord
Nee, deze uitgaven vallen namelijk onder het verplicht te verzekeren risico en worden daarom niet aangemerkt als uitgaven voor specifieke zorgkosten.
Beschouwing
Uitgaven voor farmaceutische hulpmiddelen
Uitgaven voor specifieke zorgkosten vormen op grond van artikel 6.1, tweede lid, onderdeel d, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) een persoonsgebonden aftrekpost. Om de uitgaven voor specifieke zorgkosten als persoonsgebonden aftrek in aanmerking te nemen, moeten de uitgaven drukken op de belastingplichtige (artikel 6.1, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001). Daarnaast geldt specifiek voor de uitgaven voor specifieke zorgkosten dat de belastingplichtige zich redelijkerwijs gedrongen heeft gevoeld tot het doen van die uitgaven (artikel 6.1, derde lid, Wet IB 2001).
Uitgaven wegens ziekte of invaliditeit worden onder voorwaarden als uitgaven voor specifieke zorgkosten in aanmerking genomen. Op grond van artikel 6.17, eerste lid, onderdeel d, Wet IB 2001 kunnen uitgaven voor farmaceutische hulpmiddelen verstrekt op voorschrift van een arts in aanmerking worden genomen als uitgaven voor specifieke zorgkosten.
Niet alle zorgkosten kwalificeren als uitgaven voor specifieke zorgkosten. In artikel 6.18 Wet IB 2001 zijn diverse aftrekbeperkingen opgenomen. Artikel 6.18, eerste lid, aanhef en onderdeel g, Wet IB 2001 bepaalt dat uitgaven die vallen onder het door de belastingplichtige ingevolge de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) verplicht te verzekeren risico, niet worden aangemerkt als uitgaven voor specifieke zorgkosten.
Zorgverzekering, Besluit zorgverzekering en Regeling zorgverzekering
Op grond van artikel 10, onderdeel c, Zvw behoort de behoefte aan farmaceutische zorg tot het verplicht te verzekeren risico. Artikel 11, derde lid, Zvw bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur (Besluit zorgverzekering) wordt geregeld welke zorg wordt vergoed en welke eigen bijdragen van toepassing zijn. In het vierde lid, onderdeel b van voornoemd artikel is bepaald dat de inhoud en omvang van farmaceutische zorg nader bij ministeriële regeling kan worden geregeld. Artikel 11 Zvw geeft daarmee een nadere invulling aan de vergoedingsplicht van de zorgverzekeraar, maar bepaalt niet of sprake is van farmaceutische zorg die tot het verplicht te verzekeren risico behoort.
In artikel 2.8 van het Besluit zorgverzekering is onder meer bepaald dat farmaceutische zorg het ter hand stellen van bij ministeriële regeling aangewezen geregistreerde geneesmiddelen omvat, voor zover deze door de zorgverzekeraar zijn aangewezen. In het derde lid van dit artikel is opgenomen dat de verzekeraar tenminste één geneesmiddel voor elk van de werkzame stoffen moet aanwijzen.
In het vierde lid is opgenomen dat farmaceutische zorg ook een bij ministeriële regeling aangewezen geneesmiddel omvat dat niet door de zorgverzekeraar is aangewezen, voor zover gebruik van het door de zorgverzekeraar aangewezen geneesmiddel medisch niet verantwoord is. Indien dus sprake is van een medische noodzaak om van het preferente middel af te wijken, kan ook een niet aangewezen geneesmiddel voor vergoeding in aanmerking komen. Dit is bijvoorbeeld het geval als de verzekerde een allergie heeft voor één of meer hulpstoffen in het door de zorgverzekeraar aangewezen middel.
In artikel 2.5, eerste lid, van de Regeling zorgverzekering staat vermeld dat bijlage 1 van die regeling ziet op de aangewezen geregistreerde geneesmiddelen als bedoeld in artikel 2.8 van het Besluit zorgverzekering. In het vierde lid van voornoemd artikel staat dat in bijlage 3 de geregistreerde geneesmiddelen zijn opgenomen die niet door de minister zijn aangewezen.
Aftrekbeperking
Uit bovenstaande volgt dat voor de aftrekbeperking van artikel 6.18, eerste lid, aanhef en onderdeel g, Wet IB 2001 relevant is of voor de betreffende werkzame stof sprake is van een bij ministeriële regeling aangewezen geregistreerd geneesmiddel. Dit bepaalt namelijk of het betreffende geneesmiddel binnen het verplicht te verzekeren risico valt. De (vervolg)vraag of een zorgverzekeraar het betreffende geneesmiddel ook daadwerkelijk vergoed op grond van het zogenoemd preferentiebeleid is voor de aftrekbeperking niet relevant.
Niet bij ministeriële regeling aangewezen geregistreerde geneesmiddelen
Het komt voor dat een arts een geregistreerd geneesmiddel met een bepaalde werkzame stof voorschrijft, maar dit geneesmiddel (of een alternatief daarvan) niet is aangewezen in de betreffende ministeriële regeling. In dat geval valt het betreffende geneesmiddel niet onder de farmaceutische zorg als bedoeld in artikel 10, onderdeel c, Zvw juncto artikel 2.8 van het Besluit zorgverzekering. De zorgverzekeraar is dan niet verplicht om een vergoeding te verstrekken, maar er is wel sprake van een kwalificerend farmaceutisch hulpmiddel als bedoeld in 6.17, eerste lid, onderdeel d, Wet IB 2001. Dit geldt bijvoorbeeld voor het aanschaffen van paracetamol wanneer de arts hiervoor een recept heeft uitgeschreven. Paracetamol is namelijk een geregistreerd geneesmiddel dat door de minister bewust buiten het verzekerde pakket is gelaten. Voor een dergelijk geneesmiddel geldt geen aftrekbeperking. Voor zover geen sprake is van een vergoeding, drukken de kosten op belastingplichtige en is sprake van kwalificerende uitgaven voor specifieke zorgkosten.
Bij ministeriële regeling aangewezen geregistreerde geneesmiddelen
Wanneer een arts een geregistreerd geneesmiddel voorschrijft waarvan de werkzame stof is aangewezen in de ministeriële regeling, valt het geneesmiddel onder het verplicht te verzekeren risico en daarmee onder de aftrekbeperking van artikel 6.18, eerste lid, onderdeel g, Wet IB 2001.
Als het betreffende geneesmiddel tevens is opgenomen in het preferentiebeleid van de zorgverzekeraar, zal belastingplichtige een vergoeding ontvangen voor het geneesmiddel. Omdat de aanschafkosten van dit geneesmiddel onder de aftrekbeperking van artikel 6.18, eerste lid, aanhef en onderdeel g, Wet IB 2001 valt, is geen sprake van uitgaven voor specifieke zorgkosten en daarmee eveneens geen sprake van een persoonsgebonden aftrekpost. Aan het drukkencriterium wordt dan niet toegekomen (al zouden de aanschafkosten ook niet drukken omdat deze worden vergoed door de zorgverzekeraar).
Als het betreffende geneesmiddel niet is opgenomen in het preferentiebeleid van de zorgverzekeraar, zal belastingplichtige geen vergoeding ontvangen voor het geneesmiddel. Ook hier geldt dat de aanschafkosten van dit geneesmiddel onder de aftrekbeperking van artikel 6.18, eerste lid, aanhef en onderdeel g, Wet IB 2001 vallen en daarom geen sprake is van uitgaven voor specifieke zorgkosten.
In feite is het daarmee voor de uitgaven voor specifieke zorgkosten ook niet relevant of door de zorgverzekeraar een vergoeding wordt ontvangen voor het betreffende geneesmiddel.
NB: de mogelijkheid bestaat dat een belastingplichtige een niet‑geregistreerd geneesmiddel aanschaft, waarvan de werkzame stof ook niet bij ministeriële regeling is aangewezen. De zorgverzekeraar vergoedt dit geneesmiddel niet. In dat geval kunnen de kosten van een dergelijk geneesmiddel onder voorbehoud kwalificeren als aftrekbare specifieke zorgkosten (zie KG:202:2025:25).
Overige voorwaarden
Voor het in aanmerking nemen van uitgaven voor farmaceutische hulpmiddelen als uitgaven voor specifieke zorgkosten moet ook aan de overige voorwaarden voor aftrek zijn voldaan. De uitgaven moeten ingevolge artikel 6.17, eerste lid, aanhef, Wet IB 2001, zijn gedaan wegens ziekte of invaliditeit van personen die behoren tot de kring van personen als bedoeld in artikel 6.16 Wet IB 2001. Verder kunnen belastingplichtigen de uitgaven voor specifieke zorgkosten enkel in aanmerking nemen indien (of voor zover) de uitgaven meer bedragen dan de drempel van artikel 6.20 Wet IB 2001.