KG:202:2026:14 Schadevergoeding uit onrechtmatige daad en box 3
Publicatiedatum 03-11-2026, 11:40 | Laatste update 03-11-2026, 11:40 |
Aanleiding
Belastingplichtige heeft als gevolg van een onrechtmatige daad aanspraak op een schadevergoeding ter hoogte van € 70.000. De onrechtmatige daad vond plaats op 1 oktober van het belastingjaar t. Er is wettelijke rente gevorderd in de aansprakelijkstelling. De hoogte van de schadevergoeding (incl. wettelijke rente) staat op 1 december van het jaar t vast en wordt in het daaropvolgende jaar (t+1) uitgekeerd aan belastingplichtige.
Vraag
Behoort het bedrag van een schadevergoeding uit onrechtmatige daad tot het werkelijke rendement onder de tegenbewijsregeling box 3?
Antwoord
Nee, het bedrag van de schadevergoeding uit onrechtmatige daad behoort niet tot het werkelijke rendement onder de tegenbewijsregeling box 3. De genoten rente over de aanspraak op schadevergoeding behoort als regulier voordeel wel tot het werkelijke rendement in box 3.
Beschouwing
Onrechtmatige daad
Een onrechtmatige daad, als bedoeld in artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), is een handelen of nalaten waardoor op onrechtmatige wijze schade aan een ander wordt toegebracht. Daarvan kan sprake zijn wanneer inbreuk wordt gemaakt op een recht van een ander, wordt gehandeld in strijd met een wettelijke plicht of wordt gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt (artikel 6:162, tweede lid, BW). Op basis van artikel 6:162 BW schept een onrechtmatige daad die is toe te rekenen aan de dader een wettelijke verplichting voor de dader om de schade die een ander lijdt te vergoeden. Deze verplichting om de schade te vergoeden ontstaat dus op basis van de wet en niet op basis van een overeenkomst tussen partijen.
Een schadevergoeding uit onrechtmatige daad kan bestaan uit twee soorten schadevergoedingen:
- Materiële schadevergoeding: dit betreft een vergoeding voor financiële schade (vermogensschade) die direct in geld is uit te drukken. Het betreffen kwantificeerbare kosten en verliezen. Daarbij valt te denken aan schade aan (on)roerende zaken en gederfde inkomsten.
- Immateriële schadevergoeding: dit betreft een vergoeding voor schade door verdriet en pijn. Deze schade is (in tegenstelling tot materiële schade) niet direct in geld uit te drukken zoals pijn (psychisch leed), verdriet en gederfde levensvreugde.
In dit standpunt wordt verder niet ingegaan op de voorwaarden met betrekking tot een schadevergoeding uit onrechtmatige daad. Wel wordt opgemerkt dat sprake moet zijn van daadwerkelijk aantoonbaar geleden schade met een direct causaal verband, die aan de dader kan worden toegerekend.
Aanspraak op een schadevergoeding is een box 3-bezitting
De aanspraak op een schadevergoeding uit onrechtmatige daad behoort – net als andere aanspraken op schadevergoedingen – tot de bezittingen in box 3. Het betreft een recht dat niet op zaken betrekking heeft, als bedoeld in artikel 5.3, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).
De wetgever heeft niet voorzien in een algemene vrijstelling in box 3 voor schadevergoedingen (zie o.a. Kamerstukken II 2018/2019 35026, nr. 29, p. 29-30 en Kamerstukken II 2020/21, 35572, nr. 23, p.35). Wel kent de Wet IB 2001 een specifieke vrijstelling voor een drietal aanspraken op niet-geldelijke vergoedingen en tegemoetkomingen ingevolge de Tijdelijke wet Groningen (artikel 5.10, onderdeel e, Wet IB 2001).
Schadevergoedingen onder de forfaitaire box 3-heffing
Een aanspraak op een schadevergoeding die op de peildatum van 1 januari bestaat, kwalificeert voor de toepassing van artikel 5.2, tweede lid, Wet IB 2001 als een overige bezitting. Als de schadevergoeding op de peildatum op de bankrekening van belastingplichtige is gestort, bestaat de aanspraak op schadevergoeding niet langer. Het bedrag maakt dan deel uit van de bank- en spaartegoeden van belastingplichtige.
De daadwerkelijke schadevergoedingsuitkering wordt zelf niet belast in de forfaitaire box 3-heffing. Enkel de forfaitair bepaalde inkomsten daarover worden in de heffing betrokken. Het daadwerkelijke rendement is bij een (recht op) schadevergoeding binnen het kalenderjaar in het forfaitaire stelsel ook niet van belang voor de bepaling van het inkomen uit sparen en beleggen.
Schadevergoedingen onder de tegenbewijsregeling box 3
Op grond van artikel 5.25, eerste lid, Wet IB 2001 kan een belastingplichtige aannemelijk maken dat het werkelijke rendement van zijn bezittingen en schulden lager is dan het voordeel uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, Wet IB 2001. In dat geval wordt voor het belastbare inkomen uit sparen en beleggen in afwijking van artikel 5.1 Wet IB 2001 uitgegaan van het werkelijke rendement van bezittingen en schulden verminderd met de persoonsgebonden aftrek.
Artikel 5.26 Wet IB 2001 bepaalt dat het werkelijke rendement van de bezittingen en schulden het gezamenlijke bedrag van de reguliere voordelen en de vermogensaanwas is.
NB: dezelfde tegenbewijsregeling geldt op grond van artikel 6a van de Wet rechtsherstel box 3 voor belastingplichtigen die in aanmerking komen voor rechtsherstel in box 3 voor de belastingjaren 2017 t/m 2022.
Reguliere voordelen
Op grond van artikel 5.27 Wet IB 2001 bestaan de reguliere voordelen onder andere uit rente, dividend, huur, etc. Op grond van artikel 5.26, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 gaat het om reguliere voordelen die worden getrokken uit bezittingen en schulden.
Artikel 6:119 BW bepaalt dat wettelijke rente is verschuldigd over de periode tussen het moment dat de schade optreedt en de periode dat de schuldenaar de schade voldoet. De wettelijke rente wordt vastgesteld op basis van het Besluit wettelijke rente van 10 december 2025. De wettelijke rente bedraagt momenteel 4%. Ondanks dat de vergoeding van wettelijke rente in de wet is opgenomen, dient deze wel te worden gevorderd bij de schuldenaar.
Wanneer een belastingplichtige wettelijke rente vordert, moet worden bepaald in welk kalenderjaar de wettelijke rente tot de reguliere voordelen moet worden gerekend. In artikel 5.34 Wet IB 2001 zijn diverse genietingsmomenten opgesomd, zoals het moment van ontvangen, rentedragend worden of het vorderbaar en inbaar worden.
Hierbij is van belang dat de wettelijke rente op grond van artikel 6:119, tweede lid, BW, cumulatief is. Analoog aan de jurisprudentie rondom artikel 3.146 Wet IB 2001 wordt de wettelijke rente voor de toepassing van artikel 5.34 Wet IB 2001 pas rentedragend wanneer deze liquide is en blijft uitstaan onder het genot van rente voor de gerechtigde tot die vordering (zie o.a. HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2003). Als de hoogte van de schadevergoeding pas na een kalenderjaar wordt vastgesteld, wordt de wettelijke rente verschuldigd over het voorafgaande kalenderjaar dus pas genoten op het moment dat de schadevergoeding vaststaat.
Kortom, vanaf het moment dat de schadevergoeding is gevorderd, duidelijkheid bestaat over de aansprakelijkheid en de hoogte van de schadevergoeding en blijkt dat de plegende partij in staat is de schade te voldoen, wordt de wettelijke rente als regulier voordeel in box 3 belast.
Ter illustratie: In de onderhavige casus is de wettelijke rente gevorderd en op 1 december in het jaar t inbaar geworden (en daarmee genoten in jaar t). Per 31 december van het jaar t bedraagt de wettelijke rente over de periode 1 oktober tot 31 december € 1.771,38 (91/365 * €70.000 * 4%). Op grond van artikel 5.34 Wet IB 2001 behoort deze rente tot de reguliere voordelen van het jaar t. De wettelijke rente over de periode van 1 januari van het jaar t+1 tot het uitbetalingsmoment in het jaar t+1, behoort tot de reguliere voordelen in het jaar t+1.
In het geval de hoogte van de schadevergoeding pas in het jaar t+1 vaststaat, zal de wettelijke rente (ook over de periode tot en met 31 december van het jaar t) tot de reguliere voordelen van het jaar t+1 behoren.
Vermogensaanwas
Artikel 5.28 Wet IB 2001 bepaalt dat de vermogensaanwas van bezittingen en schulden bestaat uit het verschil tussen de waarde aan het einde van het kalenderjaar van het saldo van bezittingen en schulden en de waarde aan het begin van het kalenderjaar van het saldo van bezittingen en schulden, verminderd met de stortingen en vermeerderd met de onttrekkingen.
Ontstaan van een aanspraak op schadevergoeding uit onrechtmatige daad
Het ontstaan van een aanspraak op schadevergoeding uit onrechtmatige daad leidt op zichzelf niet tot vermogensaanwas. Het ontstaan van de aanspraak op schadevergoeding is namelijk tegelijkertijd een storting op grond van artikel 5.29, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 (een positieve waardemutatie die het directe gevolg is van het tot de bezittingen gaan behoren van een vermogensbestanddeel). Hierdoor wordt er geen werkelijk rendement in aanmerking genomen ten tijde van het ontstaan van de aanspraak op schadevergoeding.
In de onderhavige casus – waarin een aanspraak op schadevergoeding uit onrechtmatige daad van € 70.000 ontstaat – werkt dit als volgt uit (geabstraheerd van de wettelijke rente):
| Eindwaarde aanspraak | € 70.000 | |
| Beginwaarde aanspraak | € 0 | - |
| Mutatie | € 70.000 | |
| Storting | € 70.000 | - |
| Werkelijk rendement | € 0 |
Vermogensmutaties van de aanspraak op schadevergoeding
De situatie kan zich voordoen dat de afwikkeling van de aansprakelijkheid of de hoogte van de schadevergoeding zich over meerdere kalenderjaren spreidt. Ook is het mogelijk dat de waarde van de aanspraak op de peildatum opnieuw dient te worden gewaardeerd en tot een andere waarde in het economische verkeer leidt. Deze wijziging leidt niet tot een (positieve of negatieve) vermogensaanwas. De wijziging zorgt juist voor een correctie van de waarde op het moment van ontstaan van de aanspraak. Uit vaste jurisprudentie volgt dat feiten en omstandigheden die zich na de peildatum hebben voorgedaan en die licht konden werpen op de waarde op dat tijdstip, moeten meegenomen worden in de waardering van een vermogensbestanddeel (zie bijvoorbeeld HR 7 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2069). In dat geval is de waarde bij nader inzien bij het ontstaan van aanspraak te hoog of te laag ingeschat en kan deze op de peildatum worden gecorrigeerd. Deze correctie werkt door naar de beginwaarde van de aanspraak in het betreffende latere belastingjaar.
Uitbetaling van de schadevergoeding
Bij de uitbetaling van de schadevergoeding uit onrechtmatige daad, verdwijnt de aanspraak op schadevergoeding. De uitbetaling vormt daardoor een onttrekking als bedoeld in artikel 5.30, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 (een negatieve waardeontwikkeling die het directe gevolg is van het niet langer tot de bezittingen behoren van een bezitting). Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de banktegoeden met het bedrag van de uitbetaling worden verhoogd en dit bedrag tevens in aanmerking wordt genomen als storting op de banktegoeden.
In de onderhavige casus – waarin schadevergoeding uit onrechtmatige daad van € 70.000 wordt uitbetaald – werkt dit als volgt uit (geabstraheerd van de wettelijke rente):
| Eindwaarde aanspraak | € 0 | |
| Beginwaarde aanspraak | € 70.000 | - |
| Mutatie | - € 70.000 | |
| Onttrekking | € 70.000 | + |
| Werkelijk rendement | € 0 |