KG:202:2026:6 Optierechten en box 3
Publicatiedatum 12-05-2026, 15:44 | Laatste update 12-05-2026, 15:44 |
Aanleiding
Belastingplichtige koopt via een broker een op de effectenbeurs verhandelbaar calloptie om aandelen tegen een vooraf vastgestelde waarde te kopen. Belastingplichtige betaalt hiervoor een optiepremie. In de loop van de jaren wijzigt de waarde van de calloptie. Een aantal jaren later oefent belastingplichtige de calloptie uit.
Ter afbakening van het vraagstuk wordt in het standpunt uitgegaan van gedekte op een effectenbeurs verhandelbare callopties en wordt geabstraheerd van een eventuele marginverplichting van de verkoper. Omdat wordt uitgegaan van op een effectenbeurs verhandelbare opties, is de beurswaarde van de opties een gegeven.
Vraag
Op welke wijze wordt een optierecht in de tegenbewijsregeling box 3 in aanmerking genomen?
Antwoord
Het verkrijgen van het optierecht tegen betaling van een optiepremie leidt niet tot het in aanmerking nemen van werkelijk rendement. De waardeveranderingen van het optierecht gedurende de periode dat het optierecht in bezit is van belastingplichtige, komen tot uitdrukking in de vermogensaanwas van het optierecht. De uitoefening van het optierecht leidt ertoe dat het optierecht de bezittingen van belastingplichtige verlaat. Deze onttrekking heeft een waarde van nihil, omdat het optierecht is uitgeoefend en daarna geen waarde meer heeft. Daar staat tegenover dat de belastingplichtige bij de uitoefening van het optierecht aandelen verwerft. De storting ten aanzien van deze aandelen wordt gesteld op de uitoefenprijs van het optierecht. Dit betreft een zakelijke betaling voor de aandelen, die destijds bij aankoop van het optierecht is afgesproken. Daarom zal deze betaling afwijken van de beurswaarde van de aandelen op het moment van het uitoefenen van het optierecht.
Voor de tegenbewijsregeling box 3 werkt de systematiek voor een optieverplichting hetzelfde – maar dan spiegelbeeldig aan het optierecht – uit.
Beschouwing
Opties
Opties zijn grofweg in te delen in twee categorieën. De eerste categorie zijn zogenoemde callopties. Callopties geven het recht om de onderliggende waarde – zoals effecten – voor een vooraf bepaalde prijs te kopen. De tweede categorie zijn zogenoemde putopties. Putopties geven het recht om de onderliggende waarde voor een vooraf bepaalde prijs te verkopen.
Opties in box 3
De grondslag sparen en beleggen is op grond van artikel 5.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) gebaseerd op de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar (peildatum). De rendementsgrondslag is volgens artikel 5.3, eerste lid, Wet IB 2001 de waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden. Een optie is een bezitting als bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, onderdeel e, Wet IB 2001, te weten een recht dat niet op een zaak betrekking heeft (Kamerstukken II 1998/99, 26727, nr. 3, p. 233).
Effecten worden op grond van artikel 5.19, eerste lid, Wet IB 2001 gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer. Op grond van artikel 5.21 Wet IB 2001 jo. artikel 33b van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 worden op een effectenbeurs verhandelbare effecten, gewaardeerd op de slotnotering van de laatste beursdag van het voorafgaande kalenderjaar. Hieronder vallen ook opties. De waardering vindt plaats op basis van de slotnotering zoals gepubliceerd in de Officiële Prijscourant uitgegeven door Euronext Amsterdam N.V. (hierna: optiekoerslijst).
NB: bij putopties of het schrijven van een optie vindt geen saldering plaats met de (eventueel) in bezit zijnde onderliggende aandelen. Er is namelijk geen sprake van een eenheid van bezittingen en schulden als bedoeld in artikel 5.19, tweede lid, Wet IB 2001. Opties en aandelen zijn bestanddelen die zonder elkaar kunnen bestaan anders dan het geval is bij de aandelen en schulden van aandelenleaseproducten. Men kan aandelen bezitten zonder optierechten of -verplichtingen te hebben. Daarnaast is het mogelijk opties te schrijven terwijl degene die de onderliggende aandelen mag of moet leveren deze nog niet in bezit heeft (ongedekte opties).
Optierechten en de tegenbewijsregeling
Op grond van artikel 5.25, eerste lid, Wet IB 2001 kan een belastingplichtige aannemelijk maken dat het werkelijke rendement van zijn bezittingen en schulden lager is dan het voordeel uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, Wet IB 2001. In dat geval wordt voor het belastbare inkomen uit sparen en belegen in afwijking van artikel 5.1 Wet IB 2001 uitgegaan van het werkelijke rendement van bezittingen en schulden verminderd met de persoonsgebonden aftrek.
NB: dezelfde tegenbewijsregeling geldt op grond van artikel 6a van de Wet rechtsherstel box 3 voor belastingplichtigen die in aanmerking komen voor rechtsherstel in box 3 voor de belastingjaren 2017 t/m 2022.
Artikel 5.26 Wet IB 2001 bepaalt dat het werkelijke rendement van de bezittingen en schulden het gezamenlijke bedrag van de reguliere voordelen en de vermogensaanwas is.
De reguliere voordelen omvatten al het directe rendement uit het vermogen en bestaan volgens artikel 5.27 Wet IB 2001 in ieder geval uit genoten vergoedingen, zoals rente en dividend. Opties leveren geen direct rendement op. Van een regulier voordeel is dus geen sprake.
De vermogensaanwas wordt in artikel 5.28 Wet IB 2001 gedefinieerd als het verschil tussen de waarde van het saldo van bezittingen en schulden aan het einde van het kalenderjaar en het begin van het kalenderjaar, verminderd met de stortingen en vermeerderd met de onttrekkingen. Volgens artikel 5.29, eerste lid, Wet IB 2001 is het tot de bezittingen gaan behoren van een vermogensbestanddeel of het niet langer tot de schulden behoren van een schuld een storting. Het niet langer tot de bezittingen behoren van een vermogensbestanddeel of het tot de schulden gaan behoren van een verplichting is op grond van artikel 5.30, eerste lid, Wet IB 2001 een onttrekking.
Voorbeeld 1
Belastingplichtige koopt op 31 december 2023 via een broker voor € 550 een gedekte op een effectenbeurs verhandelbare calloptie op 100 aandelen. De calloptie heeft op het tijdstip van aankoop een beurswaarde van € 550. De aankoopprijs voor de optie (de optiepremie) wordt door belastingplichtige op dezelfde dag betaald. De calloptie heeft een uitoefenprijs van € 5.000 euro. De koers van de onderliggende aandelen is op het moment van aankoop van de calloptie € 5.500.
Op 1 januari 2025 is de koers van de onderliggende aandelen gestegen naar € 6.000. De waarde van de calloptie bedraagt volgens de optiekoerslijst op dat moment € 1.050. Op 2 januari 2025 oefent belastingplichtige de calloptie uit en koopt hij de aandelen met een waarde van € 6.000 voor een prijs van € 5.000. De waarde van de calloptie bedraagt volgens de optiekoerslijst op dat moment nog steeds € 1.050. Aan het einde van het jaar 2025 zijn de aandelen nog steeds € 6.000 waard.
Uitwerking in box 3
Ter bepaling van het forfaitaire rendement wordt enkel gekeken naar de bezittingen en schulden op de peildatum van 1 januari. De calloptie van belastingplichtige kwalificeert als een overige bezitting. Op 1 januari 2023 had belastingplichtige nog geen calloptie in bezit, waardoor voor belastingjaar 2023 de calloptie niet in aanmerking wordt genomen in box 3. In belastingjaar 2024 wordt de calloptie voor de waarde op 1 januari 2024 in aanmerking genomen, te weten € 550. In belastingjaar 2025 wordt de calloptie voor de waarde op 1 januari 2025 in aanmerking genomen, te weten € 1.050. De uitoefening van de calloptie op 2 januari 2025 heeft geen invloed op de forfaitaire box 3-heffing over 2025, omdat daarvoor enkel wordt gekeken naar de peildatum van 1 januari 2025.
Indien belastingplichtige gebruikmaakt van de tegenbewijsregeling box 3, is het nodig om per belastingjaar de vermogensaanwas van de calloptie te bepalen.
2023
In 2023 wordt de calloptie aangekocht. Door de aankoop van de calloptie verkrijgt belastingplichtige het recht om de aandelen tegen de uitoefenprijs te kopen in ruil voor de betaling van de optiepremie. De verkrijging van de calloptie wordt gezien als een storting en de betaling van de optiepremie als een onttrekking. Per saldo leidt de aankoop van de calloptie niet tot een vermogensaanwas bij belastingplichtige en daarmee niet tot werkelijk rendement.
De vermogensaanwas ten aanzien van de calloptie kan voor 2023 als volgt worden weergegeven (in €):
| Eindwaarde calloptie | 550 | |
| Beginwaarde calloptie | 0 | - |
| Mutatie | 550 | |
| Storting (verkrijging calloptie) | 550 | - |
| Vermogensaanwas | 0 |
2024
De vermogensaanwas ten aanzien van de calloptie kan voor 2024 als volgt worden weergegeven (in €):
| Eindwaarde calloptie | 1.050 | |
| Beginwaarde calloptie | 550 | - |
| Mutatie | 500 | |
| Storting/Onttrekking | 0 | -/+ |
| Vermogensaanwas | 500 |
2025
Aan het einde van het kalenderjaar 2025 bezit belastingplichtige niet langer de calloptie en daardoor wordt een eindwaarde van € 0 in aanmerking genomen voor de calloptie. De beginwaarde van de calloptie was € 1.050. Dit leidt tot een negatieve vermogensmutatie van € 1.050. Door het uitoefenen van de calloptie, gaat de calloptie verloren en behoort deze niet langer tot de bezittingen van belastingplichtige (onttrekking). De onttrekking wordt op grond van artikel 5.30, tweede lid, Wet IB 2001 in aanmerking genomen tegen de waarde ten tijde van de onttrekking. De onttrekking heeft een waarde van nihil, omdat de calloptie is uitgeoefend en daarna geen waarde meer heeft. Per saldo is het werkelijk rendement op de calloptie in het jaar van uitoefening van de calloptie in dit voorbeeld dus € 1.050 (negatief).
Daar staat tegenover dat de belastingplichtige in dit jaar aandelen heeft verworven. Aan het begin van het kalenderjaar 2025 bezit belastingplichtige de aandelen nog niet, waardoor de beginwaarde van de aandelen wordt gesteld op € 0. Aan het einde van het kalenderjaar 2025 hebben de aandelen een waarde van € 6.000. Dit leidt tot een vermogensmutatie van € 6.000. Daarnaast is sprake van het tot de bezittingen gaan behoren van een bezitting (storting). De storting wordt op grond van artikel 5.29, tweede lid, Wet IB 2001 in aanmerking genomen tegen de waarde ten tijde van de storting. De betreffende aandelen zijn – door de uitoefening van de calloptie – aangekocht voor een bedrag van € 5.000. De storting wordt in deze situatie gesteld op dit aankoopbedrag. In casu is dit een zakelijke betaling, ondanks dat de waarde in het economische verkeer van de aandelen op het aankoopmoment hoger ligt (€ 6.000).
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat door de aankoop van de aandelen de liquide middelen afnemen met € 5.000. Daar staat een even grote onttrekking tegenover (het niet langer tot de bezittingen behoren van een bezitting).
De vermogensaanwas ten aanzien van de calloptie kan voor 2025 als volgt worden berekend (in €):
| Eindwaarde calloptie | 0 | |
| Beginwaarde calloptie | 1.050 | - |
| Mutatie | - 1.050 | |
| Onttrekking | 0 | + |
| Vermogensaanwas | - 1.050 |
De vermogensaanwas ten aanzien van de aandelen kan voor 2025 als volgt worden berekend (in €):
| Eindwaarde aandelen | 6.000 | |
| Beginwaarde aandelen | 0 | - |
| Mutatie | 6.000 | |
| Storting | 5.000 | - |
| Vermogensaanwas | 1.000 |
Het totale rendement dat belastingplichtige heeft behaald met het kopen van de calloptie en de aandelen bedraagt € 450 (€ 6.000 - € 5.000 - € 550), bestaande uit de waarde van de aandelen minus de uitoefenprijs van de calloptie en minus de optiepremie. In bovenstaande uitwerking wordt in de tegenbewijsregeling in de jaren 2023 t/m 2025 in totaal ook een werkelijk rendement van € 450 in aanmerking genomen (€ 500 - € 1.050 + € 1.000).
Voorbeeld 2
Belastingplichtige koopt op 1 januari 2025 via een broker voor € 50 een gedekte op een effectenbeurs verhandelbare calloptie op 100 aandelen. De calloptie heeft op het tijdstip van aankoop een beurswaarde van € 50. De aankoopprijs voor de optie (de optiepremie) wordt door belastingplichtige op dezelfde dag betaald. De calloptie expireert op 1 november 2025 en op dat moment heeft de optie geen waarde meer (out of the money), omdat de beurskoers van de onderliggende aandelen lager ligt dan de uitoefenprijs van de calloptie.
Uitwerking in box 3
Op 1 november 2025 expireert de calloptie. Op de expiratiedatum behoort de calloptie niet langer tot de bezittingen in box 3. Er is daarom sprake van een onttrekking. Op het tijdstip dat de calloptie expireert, is de calloptie waardeloos. De onttrekking wordt daarom op nihil gewaardeerd.
| Eindwaarde calloptie | 0 | |
| Beginwaarde calloptie | 50 | - |
| Mutatie | - 50 | |
| Onttrekking | 0 | + |
| Vermogensaanwas (werkelijk rendement) | - 50 |
In 2025 kan belastingplichtige daarom een negatief werkelijk rendement ten aanzien van de calloptie in aanmerking nemen van € 50.
Optieverplichtingen en de tegenbewijsregeling
Voor de schrijver van een optie (de verkoper) geldt bovenstaande systematiek op eenzelfde wijze. Bij het schrijven van een optie kwalificeert de optieverplichting op grond van artikel 5.3, derde lid, Wet IB 2001 als een verplichting met een waarde in het economische verkeer. Voor de tegenbewijsregeling box 3 werkt de systematiek voor een optieverplichting hetzelfde – maar dan spiegelbeeldig aan het optierecht – uit.