Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

KG:204:2026:18 toepassing artiestenregeling

Aanleiding

Een stichting behartigt de belangen van een muziekband. De individuele bandleden maken geen deel uit van de stichting. De stichting heeft een overeenkomst afgesloten met een professioneel boekingskantoor die de boekingen voor de band verzorgt. Zowel het boekingskantoor als de stichting beschikken over een inhoudingsplichtigenverklaring waardoor de inhoudingsplicht over de gage feitelijk wordt verlegd van het boekingskantoor naar de stichting. De individuele bandleden willen echter voor enkele optredens buiten de artiestenregeling om opereren. Voor deze optredens factureren zij de gage rechtstreeks aan de stichting. De bandleden zijn buiten (fictieve) dienstbetrekking werkzaam.

Vragen

  1. Kan de opting-outregeling voor de betreffende optredens worden toegepast?
  2. Zo ja, welke partijen moeten de opting-outregeling overeenkomen?

Antwoorden

  1. Ja.
  2. De stichting en de artiest.

Beschouwing

Het subject: de artiest

Artikel 1 van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964) noemt zes categorieën belastingplichtigen voor de loonbelasting. Naast de werknemer en de inhoudingsplichtige wordt onder meer de artiest als afzonderlijk subject genoemd.

In artikel 5a Wet LB 1964 is de zogenoemde artiestenregeling opgenomen. Onder het begrip ‘artiest’ wordt voor de toepassing van de Wet LB 1964 en de daarop berustende bepalingen verstaan: degene die op grond van een overeenkomst van korte duur als musicus of anderszins als artiest optreedt. Een belastingplichtige is pas artiest als hij een overeenkomst van korte duur is aangegaan om op te treden. Zie Kamerstukken II 1999/00, 26728, nr. 27, p. 13. Het feitelijke optreden is bepalend of een artiest onder de artiestenregeling valt. Zie Kamerstukken II 1999/00, 26728, nr. 3, p. 80-81. De kwalificatie artiest geldt derhalve per optreden.

In het derde lid van artikel 5a Wet LB 1964 is bepaald dat artiesten die in dienstbetrekking werken tot een in Nederland gevestigde inhoudingsplichtige, niet onder de artiestenregeling vallen, maar worden belast volgens de reguliere regels voor werknemers. Dit betekent dat artikel 5a Wet LB 1964 slechts van toepassing is als de artiest niet reeds op grond van de artikelen 2 tot en met 4 Wet LB 1964 als werknemer kan worden aangemerkt. De artiestenregeling ziet aldus op artiesten die buiten (fictieve) dienstbetrekking werkzaam zijn.

De opting-outregeling

Artikel 5a, eerste lid, Wet LB 1964 bevat uitzonderingen op het begrip ‘artiest’. Relevant voor deze casus is onderdeel c, waarin is bepaald dat een optredende artiest niet als ‘artiest’ in de zin van de artiestenregeling wordt aangemerkt, als wordt voldaan aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden.

Deze voorwaarden zijn uitgewerkt in artikel 3bis van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (hierna: UBLB 1965). Hieruit volgt dat geen sprake is van een artiest in de zin van artikel 5a Wet LB 1964 als:

  • de artiest in Nederland woont, en
  • werkzaam is op basis van een vóór aanvang van de betaling van de beloning gesloten schriftelijke overeenkomst,
  • waarin expliciet is vastgelegd dat beide partijen beogen dat de artiest geen artiest is in de zin van artikel 5a Wet LB 1964.

Deze regeling staat bekend als de ‘opting-outregeling’.

De inhoudingsplichtige

Artikel 8a Wet LB 1964 bepaalt wie inhoudingsplichtig is voor artiesten die onder artikel 5a Wet LB 1964 vallen. In beginsel is dit degene met wie het optreden is overeengekomen, de opdrachtgever. Zie artikel 8a, eerste lid, onderdeel a, Wet LB 1964. Als een derde (al dan niet in natura) een gage verstrekt, wordt deze derde als inhoudingsplichtige aangemerkt. Zie artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, Wet LB 1964.

Aangezien de artiesten in casu niet in (fictieve) dienstbetrekking staan, is geen sprake van een inhoudingsplichtige in de zin van artikel 6 Wet LB 1964. De reguliere regels voor inhoudingsplichtigen zijn daarom niet van toepassing, evenmin als de bijzondere bepalingen van de artikelen 7 en 8 Wet LB 1964.

Verlegging inhoudingsplicht

Op grond van artikel 8a, derde lid, Wet LB 1964 kan de inhoudingsplichtige zijn verplichtingen met betrekking tot een bepaald optreden onder voorwaarden verleggen naar een derde. Deze mogelijkheid is uitgewerkt in artikel 2.5 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 (hierna: URLB 2011).

De Belastingdienst kan aan een derde een zogenoemde inhoudingsplichtigenverklaring afgeven. Deze verklaring houdt in dat als de overeengekomen gage voor een optreden aan de betreffende derde wordt verstrekt, deze derde als inhoudingsplichtige aangemerkt wordt voor de artiesten. Zie artikel 2.5, eerste lid, URLB 2011.

Als deze derde de gage doorbetaalt aan een andere partij met een dergelijke verklaring, wordt laatstgenoemde als inhoudingsplichtige beschouwd. Zie artikel 2.5, tweede lid, URLB 2011.

Toepassing van de opting-outregeling

Wanneer aan de voorwaarden van artikel 5a, eerste lid, onderdeel c, Wet LB 1964 in samenhang met artikel 3bis UBLB 1965 is voldaan, is geen sprake van een ‘artiest’ in de zin van de artiestenregeling voor het betreffende optreden. Dit heeft tot gevolg dat artikel 8a Wet LB 1964 evenmin van toepassing is.

Zoals aangegeven is voor toepassing van de opting-outregeling vereist dat:

  • de artiest in Nederland woont, en
  • vóór aanvang van de betaling van de beloning voor een bepaald optreden een schriftelijke overeenkomst is gesloten,
  • waarin expliciet is vastgelegd dat partijen beogen dat de artiest geen artiest is in de zin van de artiestenregeling.

Als aan deze voorwaarden is voldaan, kan de stichting in casu – ondanks het bezit van een inhoudingsplichtigenverklaring – de gage voor een bepaald optreden bruto uitbetalen aan de artiesten. De uiteindelijke beoordeling of aan de voorwaarden is voldaan, ligt bij de inspecteur.

Welke partijen moeten de opting-outregeling overeenkomen?

Uit artikel 3bis UBLB 1965 volgt dat toepassing van de opting-outregeling afhankelijk is van het bestaan van een vóór aanvang van de betaling van de beloning voor een bepaald optreden gesloten schriftelijke overeenkomst, waaruit blijkt dat het de bedoeling van beide partijen is dat de betreffende artiest niet wordt aangemerkt als artiest in de zin van artikel 5a van de Wet LB 1964. Aan deze eis wordt voldaan door een schriftelijke overeenkomst te sluiten tussen de opdrachtgever en de opdrachtnemer (de artiest). Zie het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 8 april 2016 (Stb. 2016, 165, p. 7).

De vraag is wie in casu de opdrachtgever en de opdrachtnemer zijn. In beginsel wordt de opdrachtgever – zijnde degene met wie het optreden is overeengekomen – als inhoudingsplichtige aangemerkt. Nu het boekingskantoor beschikt over een inhoudingsplichtigenverklaring is de inhoudingsplicht echter verlegd naar het boekingskantoor. In de rechtsverhouding tussen het boekingskantoor en de stichting wordt deze inhoudingsplicht opnieuw verlegd, aangezien ook de stichting over een inhoudingsplichtigenverklaring beschikt. Dit brengt mee dat de inhoudingsplicht in de zin van artikel 8a Wet LB 1964 uiteindelijk bij de stichting berust.

Aangezien de stichting de betaling verzorgt aan de bandleden, de opdracht aanneemt en belang heeft bij de toepassing van de opting-outregeling ligt het voor de hand dat de stichting in casu de schriftelijke overeenkomst mag tekenen. De bandleden tekenen als opdrachtnemer. Zie in dit verband ook onderdeel 4 van de toelichting op de Modelovereenkomst artiestenregeling individueel (brancheovereenkomst) – 9102021566401: “De houder van de IPV vult zijn gegevens dan in bij “opdrachtgever” op modelovereenkomst A of B.”

De overeenkomst moet echter gelet op de voorwaarden van artikel 3bis UBLB 1965 wel vóór de betaling door de opdrachtgever zijn ondertekend. De opdrachtgever in het kader van deze voorwaarde blijft degene met wie het optreden is overeengekomen. Dit betekent dat de stichting en de bandleden de overeenkomst vóór aanvang van de betaling door de opdrachtgever moeten hebben ondertekend. Zie in dit verband ook het aangehaalde citaat waarin de opdrachtgever tussen aanhalingstekens is geplaatst in onderdeel 4 van de toelichting op de modelovereenkomst.

Conclusie

Als de opting-outregeling correct wordt toegepast, is voor het betreffende optreden geen sprake (meer) van een artiest in de zin van artikel 5a Wet LB 1964. Hierdoor vervalt tevens de toepassing van artikel 8a Wet LB 1964 en is er geen inhoudingsplichtige meer in de zin van de artiestenregeling. De opting-outregeling kan per optreden afzonderlijk worden toegepast.

Deel deze pagina