KG:204:2026:3 Vergoedingen coassistent
Publicatiedatum 29-01-2026, 11:36 | Laatste update 29-01-2026, 11:36 |
Aanleiding
De cao Universitaire Medische Centra 2024-2025 bepaalt dat coassistenten vanaf 1 juli 2025 recht hebben op een maandelijkse kostenvergoeding van € 120 per maand. De kostenvergoeding van een Universitair Medisch Centrum (hierna: UMC) dient ter tegemoetkoming van de studiekosten.
De cao Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (hierna: NVZ) 2025-2027 bepaalt dat coassistenten maandelijks € 150 aan studiekosten mogen declareren. Daarnaast hebben ze recht op een stagevergoeding van € 150 per maand. De stagevergoeding wordt jaarlijks geïndexeerd en dient ter tegemoetkoming voor kosten van levensonderhoud.
De coassistenten ontvangen naast de hiervoor genoemde vergoedingen eventueel een reiskostenvergoeding van het betreffende UMC of ziekenhuis.
Coassistenten staan ingeschreven bij een universiteit en zijn daardoor collegegeld verschuldigd gedurende hun coschappen.
Bij de beantwoording van onderstaande vragen wordt ervan uitgegaan dat de arbeidsrelatie tussen het betreffende UMC of ziekenhuis en de coassistent niet is aan te merken als een dienstbetrekking in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964). Of in een bepaalde situatie sprake is van een dienstbetrekking is afhankelijk van de feiten en omstandigheden en staat ter beoordeling van de inspecteur.
Vragen
- Is de arbeidsrelatie tussen een UMC en een coassistent aan te merken als een fictieve dienstbetrekking in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel e, Wet LB 1964?
- Is de arbeidsrelatie tussen een ziekenhuis en een coassistent aan te merken als een fictieve dienstbetrekking in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel e, Wet LB 1964?
- Kan de vrijwilligersregeling in de zin van artikel 3.96, onderdeel c, van de Wet IB 2001 of artikel 2, zesde lid, Wet LB 1964 of allebei van toepassing zijn?
Antwoord
- Nee. De arbeidsrelatie tussen een UMC en een coassistent die, uitsluitend recht heeft op een kostenvergoeding (cao UMC 2024-2025) kwalificeert niet als fictieve dienstbetrekking.
- Ja. De arbeidsrelatie tussen een ziekenhuis en een coassistent, die recht heeft op een kosten- en een stagevergoeding (cao NVZ 2025-2027), kwalificeert als fictieve dienstbetrekking, omdat de omvang van het totaal aan vergoedingen toepassing van de vrijwilligersregeling uitsluit.
- Ja. De coassistent bij een UMC die een vergoeding ontvangt, waarvan de hoogte van het bedrag onder de normbedragen van de vrijwilligersregeling blijft, kan mits hij ook aan de overige voorwaarden voldoet als vrijwilliger worden aangemerkt voor toepassing van artikel 3.96, onderdeel c, Wet IB 2001 of artikel 2, zesde lid, Wet LB 1964 of allebei. De coassistent bij een ziekenhuis niet, omdat de omvang van het totaal aan vergoedingen toepassing van de vrijwilligersregeling uitsluit.
Beschouwing
Is sprake van een fictieve dienstbetrekking?
Op grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel e, Wet LB 1964 kwalificeert een arbeidsrelatie van een stagiair als fictieve dienstbetrekking, als naast het ontvangen van onderricht ook een beloning wordt genoten. Als een stagiair uitsluitend een vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten ontvangt, is geen sprake van een beloning en wordt niet voldaan aan de vereisten van artikel 3, eerste lid, onderdeel e, Wet LB 1964. Voor de beoordeling of sprake is van werkelijke kosten, kan worden aangesloten bij de wettelijke normen voor de loonheffingen. Zie paragraaf 2.1 van het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 14 december 2010, nr. DGB2010/2202M.
- Coassistenten bij een UMC hebben alleen recht op een vergoeding ter tegemoetkoming van de studiekosten. De vergoeding is gericht vrijgesteld op grond van artikel 31a, tweede lid, onderdeel d, Wet LB 1964. Een eventuele reiskostenvergoeding is gericht vrijgesteld op grond van artikel 31a, tweede lid, onderdeel a, Wet LB 1964. De coassistenten ontvangen derhalve uitsluitend een vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten en dus geen beloning in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel e, Wet LB 1964. Er is daardoor geen sprake van een fictieve dienstbetrekking tussen een UMC en de coassistent.
- Coassistenten bij een ziekenhuis hebben recht op een vergoeding ter tegemoetkoming van de studiekosten en een stagevergoeding. Zij genieten wel een beloning in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel e, Wet LB 1964, omdat de stagevergoeding een tegemoetkoming is in kosten van levensonderhoud en niet ziet op het vergoeden van werkelijke kosten die opkomen door het verrichten van werkzaamheden. Er is daarom sprake van een fictieve dienstbetrekking tussen het ziekenhuis en de coassistent. De werkgever kan wel de gerichte vrijstelling van artikel 31a, tweede lid, onderdeel d, Wet LB 1964 toepassen.
Vrijwilligersregeling
Artikel 2, zesde lid, Wet LB 1964 bepaalt dat personen, die als vrijwilliger uitsluitend vergoedingen en verstrekkingen ontvangen met een gezamenlijke waarde van ten hoogste € 210 per maand en € 2.100 per kalenderjaar (2025), niet als werknemer worden beschouwd. Artikel 2, zesde lid, Wet LB 1964 definieert een vrijwilliger als “(…) degene die niet bij wijze van beroep arbeid verricht voor een algemeen nut beogende instelling, een sportorganisatie of een niet als zodanig aan te merken lichaam dat niet is onderworpen aan de vennootschapsbelasting of daarvan is vrijgesteld”.
Ook degene die in fictieve dienstbetrekking staat, wordt niet als werknemer beschouwd als aan de voorwaarden van de vrijwilligersregeling is voldaan. Vergelijk o.a. HR 12 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2622 en Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14 maart 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:2024.
- Coassistenten bij een UMC staan niet in fictieve dienstbetrekking tot het UMC. Het UMC is niet inhoudingsplichtig ten aanzien van de kostenvergoeding en een eventuele reiskostenvergoeding. Beoordeling van de vrijwilligersregeling voor toepassing van de Wet LB 1964 is niet aan de orde.
De vergoedingen vormen echter mogelijk wel resultaat uit overige werkzaamheden. Op grond van artikel 3.96, onderdeel c, Wet IB 2001 is dit echter niet het geval als de vrijwilligersregeling van artikel 2, zesde lid, Wet LB 1964 van toepassing is. In deze casus verricht de coassistent zijn werkzaamheden niet bij wijze van beroep. Er is geen sprake van een marktconforme beloning; de vergoedingen die de coassistent ontvangt, staan niet in verhouding tot de aard en het tijdsbeslag van de verrichte werkzaamheden. Zie Kamerstukken II 2005/06, 30306, nr. 3, p. 43 en Kamerstukken II 2005/06, 30306, nr. 6, p. 59. Als het UMC een algemeen nut beogende instelling is of een organisatie die niet is onderworpen aan de vennootschapsbelasting of daarvan is vrijgesteld en aan de normbedragen wordt voldaan, kan de coassistent voor de Wet IB 2001 als vrijwilliger worden beschouwd. - Coassistenten bij een ziekenhuis staan in fictieve dienstbetrekking tot het ziekenhuis. De vrijwilligersregeling van artikel 2, zesde lid, Wet LB 1964 kan dit niet voorkomen, omdat het gezamenlijke bedrag aan kosten- en stagevergoedingen de voor 2025 geldende normbedragen van € 210 per maand en € 2.100 per kalenderjaar overstijgt. Het ziekenhuis is inhoudingsplichtig ten aanzien van de betreffende vergoedingen en een eventuele reiskostenvergoeding.
Let op
Het plafond van de vrijwilligersregeling voor de Wet IB 2001 geldt, anders dan voor de Wet LB 1964, niet per mogelijke inhoudingsplichtige maar per belastingplichtige. Dus als de coassistent ook bij een andere (mogelijke) inhoudingsplichtige, waaronder bijvoorbeeld ook een sportvereniging, een (vrijwilligers)vergoeding ontvangt, telt deze vergoeding ook mee voor het plafond voor de inkomstenbelasting (samentelbepaling).
Als het totaal van de vergoedingen en verstrekkingen het plafond overstijgt, hoeft voor de inkomstenbelasting nog geen sprake te zijn van een bron van inkomen. Daarvoor is onder andere relevant of de vergoedingen en verstrekkingen de naar redelijkheid te bepalen werkelijke kosten overstijgen. Dit is afhankelijk van de feiten en omstandigheden en staat ter beoordeling van de inspecteur.