Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

KG:204:2026:8 Gebruikelijk loon gedurende voorperiode bv

Aanleiding

Een eenmanszaak wordt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026 omgezet in een besloten vennootschap (hierna: bv). De oprichtingsakte van de bv wordt uiterlijk 31 maart 2026 bij de notaris gepasseerd.

Vraag

Is gedurende de voorperiode (de periode vóór oprichting van de bv) de gebruikelijkloonregeling van artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964) van toepassing?

Antwoord

Nee, gedurende de voorperiode van een bv is de gebruikelijkloonregeling niet van toepassing. Deze is pas van toepassing na de daadwerkelijke notariële oprichting van de bv.

Beschouwing

Toepassing gebruikelijkloonregeling

Artikel 12a, eerste lid, Wet LB 1964 bepaalt dat de gebruikelijkloonregeling van toepassing is voor een werknemer die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft.

Voor toepassing van de gebruikelijkloonregeling dient sprake te zijn van een werknemer. In de voorperiode bestaat de bv juridisch nog niet. Daarom kan er geen sprake zijn van een (fictieve) dienstbetrekking. Zie ook HR 12 april 1967, ECLI:NL:HR:1967:AX6870.

Bij de inwerkingtreding van de gebruikelijkloonregeling heeft de wetgever bovendien bevestigd dat het fictieve salaris niet van toepassing is in de periode dat de bv nog in oprichting is. Overeenkomstig bestaande jurisprudentie geniet de toekomstige aandeelhouder in die periode andere inkomsten uit arbeid. Zie Kamerstukken II 1996/97, 24761, nr. 7, p. 70.

Ook uit latere jurisprudentie volgt dat een toekomstig directeur-grootaandeelhouder van de bv in oprichting in de voorperiode resultaat uit overige werkzaamheden geniet. Zie Hof ’s Hertogenbosch 7 februari 2007 (ECLI:NL:GHSHE:2007:BA2974) en Rechtbank Arnhem 10 november 2008 (ECLI:NL:RBARN:2008:BK3952, rechtsoverweging 4.6).

Aanmerkelijk belang in de voorperiode

Uit het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 15 januari 2026, nr. 2026-436 (Stcrt. 2026, 1724, p. 6) blijkt dat de belastingplichtige/oprichter in de voorperiode van de bv wordt aangemerkt als aanmerkelijkbelanghouder in de zin van artikel 4.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001). De oprichter heeft immers het recht om alle nog te creëren aandelen in zijn bv te verwerven, terwijl het economische belang van de nog uit te geven aandelen al bij hem ligt.

Dit standpunt van de staatssecretaris heeft echter uitsluitend betrekking op situaties waarin sprake is van een terbeschikkingstelling van vermogensbestanddelen in de zin van artikel 3.92, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001. De staatssecretaris merkt in het besluit alleen op dat in de voorperiode sprake is van een aanmerkelijk belang met betrekking tot ter beschikking stellen van vermogen. Dit betekent niet dat de gebruikelijkloonregeling ook van toepassing is in de voorperiode van de bv.

Deel deze pagina