KG:204:2026:9 Verloning (aanvulling) WAZO-uitkering
Publicatiedatum 07-07-2026, 12:54 | Laatste update 07-07-2026, 12:54
Aanleiding
Een werknemer met een tijdelijke aanstelling is met zwangerschaps- en bevallingsverlof. Gedurende haar verlof eindigt haar dienstbetrekking. Ze heeft op basis van de Wet arbeid en zorg (hierna: WAZO) gedurende het zwangerschaps- en bevallingsverlof recht op een uitkering (artikel 3.7, eerste lid, WAZO). In aanvulling op de WAZO-uitkering heeft de werknemer recht op 100% doorbetaling van het laatstgenoten maandinkomen, ook na de beëindiging van de dienstbetrekking. De (voormalige) werkgever van de werknemer betaalt de WAZO-uitkering (en de aanvulling daarop) uit aan de werknemer.
Vragen
- Welke tabel is van toepassing op de tijdens het zwangerschaps- en bevallingsverlof uitbetaalde WAZO-uitkering en de aanvulling daarop?
- Welke tabel is van toepassing op de WAZO-uitkering en de aanvulling daarop na het einde van de dienstbetrekking?
Antwoorden
- Gedurende de dienstbetrekking worden de WAZO-uitkering en een eventuele aanvulling daarop gelijkgesteld met loon uit tegenwoordige arbeid. Hierop is de witte tabel van toepassing.
- Ook na het einde van de dienstbetrekking wordt de WAZO-uitkering gelijkgesteld met loon uit tegenwoordige arbeid en wordt de witte tabel toegepast. Voor een eventuele aanvulling op de uitkering geldt dat niet. Hierop is de groene tabel van toepassing.
Beschouwing
Wet- en regelgeving
In artikel 22a, derde lid, onderdeel d, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964) is opgenomen dat met loon uit tegenwoordige arbeid wordt gelijkgesteld: uitkeringen op grond van de WAZO en aanvullingen daarop door degene tot wie de belastingplichtige in dienstbetrekking staat.
De wetgever gebruikt de termen ‘loon uit (tegenwoordige respectievelijk vroegere) arbeid’ en ‘loon uit (tegenwoordige respectievelijk vroegere) dienstbetrekking’ door elkaar; de begrippen hebben dezelfde betekenis.
In artikel 25, tweede lid, Wet LB 1964 is geregeld dat bij ministeriële regeling loonbelastingtabellen kunnen worden vastgesteld. Van die mogelijkheid is gebruik gemaakt in de Regeling loonbelasting- en premietabellen 1990 (hierna: de Regeling). De Regeling schrijft de witte of de groene tabel voor. Het onderscheid is terug te voeren op een verschil in arbeidskorting. De arbeidskorting geldt in geval van tegenwoordige arbeid. In de witte tabellen is de arbeidskorting verwerkt en in de groene tabellen niet. Volgens artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling geldt de witte tabel voor “loon genoten ingevolge de Wet arbeid en zorg en als aanvulling daarop door degene tot wie de desbetreffende werknemer in dienstbetrekking staat”.
Eerste tussenconclusie
Een WAZO-uitkering en de aanvulling daarop worden in ieder geval gedurende het bestaan van een dienstbetrekking gelijkgesteld met loon uit tegenwoordige arbeid voor de Wet LB 1964. Het is echter de vraag op welke wijze artikel 22a, derde lid onderdeel d, Wet LB 1964 (en artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling) gelezen dient te worden na beëindiging van de dienstbetrekking. Heeft de tekst ‘door degene tot wie de belastingplichtige in dienstbetrekking staat’ alleen betrekking op de aanvullingen of ook op de WAZO-uitkering?
Wetsgeschiedenis
In de parlementaire behandeling bij de laatste wijziging van het huidige artikel 22a, derde lid, onderdeel d, Wet LB 1964 heeft de wetgever in 2009 het volgende opgemerkt over dit onderdeel:
“In artikel 22a, derde lid, onderdeel d, van de Wet LB 1964, worden uitkeringen op grond van de Wet arbeid en zorg en de aanvullingen daarop tijdens verlof als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking aangemerkt. Dit onderdeel vormt een voortzetting van de huidige praktijk.”
Kamerstukken II 2009/10, 32131, nr. 3, p. 35.
Hiernaast volgt uit de parlementaire behandeling dat kenmerkend voor verlof is dat de dienstbetrekking in stand blijft. Zie onder andere Kamerstukken II 1996/97, 25477, nr. 3, p. 4. Hieruit zou men kunnen afleiden dat de uitkering alleen wordt gelijkgesteld met loon uit tegenwoordige arbeid als sprake is van een dienstbetrekking.
De wetgever geeft aan dat de praktijk van voor de wijziging van het artikel wordt voortgezet. De tekst van het nieuwe derde lid, onderdeel d is ook gelijk gebleven aan de tekst van het oude artikel 22a, vierde lid, onderdeel b, Wet LB 1964 (tekst 2009). Wat hield die ‘huidige praktijk’ in? Hiervoor moeten we terug naar de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001). Volgens de wetgever is de arbeidskorting van artikel 22a Wet LB 1964 namelijk afgeleid van de arbeidskorting in de Wet IB 2001. Zie Kamerstukken II 1998/99, 26728, nr. 3, p. 42. Artikel 22a Wet LB 1964 wordt daarom uitgelegd conform de Wet IB 2001.
Wet IB 2001
De arbeidskorting geldt volgens artikel 8.11, eerste lid, Wet IB 2001 voor de belastingplichtige die arbeidsinkomen geniet. Welke elementen tot het arbeidsinkomen behoren, is opgenomen in artikel 8.1, eerste lid, onderdeel e, Wet IB 2001. In het tweede lid van dit artikel worden de elementen uitgebreid met bepaalde vormen van loon en uitkeringen. Tot 2011 was deze uitbreiding opgenomen in artikel 1.7a Wet IB 2001 (tekst 2010).
De uitbreiding van het inkomen uit tegenwoordige arbeid voor toepassing van de arbeidskorting vindt zijn oorsprong in artikel 37 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964). Zie ook Kamerstukken II 1998/99, 26727, nr. 3, p. 284. Het equivalent van dit artikel voor de loonbelasting was artikel 17 Wet LB 1964.
In artikel 37, tweede lid, Wet IB 1964 (en artikel 17, tweede lid, Wet LB 1964) werd bepaald dat voor de bepaling van het hoge arbeidskostenforfait, inkomsten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid werden gelijkgesteld met inkomsten uit tegenwoordige arbeid. Of sprake is van tijdelijke arbeidsongeschiktheid was afhankelijk van de feiten en omstandigheden. Vergelijk onder andere Hoge Raad 21 maart 1973, ECLI:NL:HR:1973:AX4732. Uitkeringen wegens zwangerschap voor personen in dienstbetrekking en uitkeringen wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid werden destijds op basis van de Ziektewet (hierna: ZW) uitgekeerd en behoorden daarmee tot inkomsten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Voor de bepaling van het arbeidskostenforfait werden deze uitkeringen daarom ook tot het inkomen uit tegenwoordige arbeid gerekend.
Met ingang van 1 januari 1998 werd in artikel 37, tweede lid, Wet IB 1964 opgenomen dat een uitkering in verband met bevalling voor zelfstandigen als inkomsten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid gelijk werd gesteld met inkomsten uit tegenwoordige arbeid.
Met de invoering van de Wet financiering loonbaanonderbreking (hierna: Wfl) werd artikel 37 Wet IB 1964 (en artikel 17 Wet LB 1964) met ingang van 1 oktober 1998 uitgebreid. Onder het tweede lid (onderdeel b) werd toegevoegd dat met inkomsten uit tegenwoordige arbeid tevens werden gelijkgesteld inkomsten in de vorm van uitkeringen “ingevolge de Wet financiering loopbaanonderbreking en aanvullingen daarop door degene tot wie de belastingplichtige in dienstbetrekking staat”. Op grond van het tweede lid (onderdeel a) bleven inkomsten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid (inclusief uitkeringen in verband met bevalling voor zelfstandigen) gelijkgesteld met inkomsten uit tegenwoordige arbeid.
De wetgever lichtte de uitbreiding van artikel 37, tweede lid, onderdeel b, Wet IB 1964 als volgt toe:
“Uitkeringen ingevolge de Wet financiering loopbaanonderbreking worden verstrekt aan werknemers over perioden dat tijdelijk geen arbeid wordt verricht maar de dienstbetrekking wel in stand blijft. Met betrekking tot loon wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid, waar zich een vergelijkbare situatie voordoet, is in de loon- en inkomstenbelasting geregeld dat dit loon voor bepaalde toepassingen wordt gelijkgesteld met loon uit tegenwoordige dienstbetrekking c.q. arbeid, dan wel met inkomsten ter zake van het verrichten van werkzaamheden buiten het huishouden. Deze gelijkstelling dient naar mijn mening ook te gelden voor de uitkeringen ingevolge de Wet financiering loopbaanonderbreking en voor de eventuele aanvullingen door de werkgever daarop. In de loon- en inkomstenbelasting wordt daarom geregeld dat deze uitkeringen en aanvullingen: - voor de toepassing van het arbeidskostenforfait worden gelijkgesteld met loon uit tegenwoordige dienstbetrekking c.q. met inkomsten uit tegenwoordige arbeid;” (…).
Uit deze toelichting en het feit dat de Wfl alleen van toepassing is op mensen met een dienstbetrekking zou men kunnen afleiden dat een eventuele uitkering ingevolge de Wfl alleen wordt gelijkgesteld met loon uit tegenwoordige arbeid als sprake is van een dienstbetrekking. Uitkeringen wegens zwangerschap voor personen in dienstbetrekking en uitkeringen wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid vielen, zoals gezegd, onder de inkomsten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Zij werden voor de bepaling van het arbeidskostenforfait dus al tot het inkomen uit tegenwoordige arbeid gerekend op grond van artikel 37, tweede lid, onderdeel a, Wet IB 1964.
Bij de invoering van de Wet IB 2001 per 1 januari 2001 is de uitbreiding op het loon uit tegenwoordige arbeid voor een beperkt aantal regelingen opgenomen in artikel 1.7a Wet IB 2001. De wetgever merkte bij artikel 22a Wet LB 1964 op dat het derde (en het vierde lid) ertoe strekken om de gelijkstelling van bepaalde uitkeringen met loon uit tegenwoordige arbeid, zoals die geldt voor de algemene aftrek, ook te doen gelden voor de arbeidskorting. Zie Kamerstukken II 1998/99, 26728, nr. 3, p. 43.
De tekst van artikel 1.7a Wet IB 2001 luidde bij de invoering van de Wet IB 2001 als volgt:
1. Voor de toepassing van de artikelen 3.141, 8.11, 8.14 en 8.16 en de daarop berustende bepalingen wordt met loon uit tegenwoordige arbeid gelijkgesteld:
a. inkomsten genoten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid;
b. uitkeringen op grond van de Wet financiering loopbaanonderbreking en aanvullingen daarop door degene tot wie de belastingplichtige in dienstbetrekking staat.
2. Inkomsten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid zijn niet uitkeringen op grond van:
a. de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
b. de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, tenzij het uitkeringen in verband met bevallingen betreffen;
c. de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening;
d. buitenlandse arbeidsongeschiktheidsverzekeringen die naar aard en strekking overeenkomen met de regelingen die zijn vermeld in de onderdelen a, b en c.
Invoering WAZO
Op 1 december 2001 is de WAZO ingevoerd. Het calamiteiten- en ander kortverzuim verlof, het politiek verlof en het ouderschapsverlof uit het Burgerlijk Wetboek zijn toen overgeheveld naar de WAZO en daar waar nodig aangepast. In de WAZO is toen ook een regeling voor het recht op zwangerschaps- en bevallingsverlof opgenomen. De daarmee samenhangende uitkeringsrechten uit de ZW en de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (hierna: WAZ) werden overgeheveld naar de WAZO. De Wfl werd onderdeel van de WAZO. Zie Kamerstukken II 1999/00, 27208, nr. 3, p. 1.
De tekst van artikel 1.7a Wet IB 2001 (en artikel 22a Wet LB 1964) is in 2003 met terugwerkende kracht tot het moment van inwerkingtreding van de WAZO aangepast. Artikel 1.7a Wet IB 2001 luidde na de wijziging als volgt:
1. Voor de toepassing van de artikelen 3.141, 8.11, 8.14 en 8.16 en de daarop berustende bepalingen wordt met loon uit tegenwoordige arbeid gelijkgesteld:
a. inkomsten genoten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid;
b. uitkeringen op grond van de Wet arbeid en zorg en aanvullingen daarop door degene tot wie de belastingplichtige in dienstbetrekking staat.
2. Inkomsten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid zijn niet uitkeringen op grond van:
a. de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
b. de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
c. de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening;
d. buitenlandse arbeidsongeschiktheidsverzekeringen die naar aard en strekking overeenkomen met de regelingen die zijn vermeld in de onderdelen a, b en c.
Met de invoering van de WAZO zijn onder meer uitkeringen die eerst onder artikel 1.7a, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 vielen (zwangerschapsuitkeringen op basis van de ZW en zwangerschapsuitkeringen op basis van de WAZ) en op basis daarvan tot het arbeidsinkomen werden gerekend, onder het eerste lid, onderdeel b, komen te vallen.
De wetgever heeft de wijziging van artikel 1.7a Wet IB 2001 als volgt toegelicht:
“Deze wijzigingen houden verband met het vervallen van de Wet financiering loopbaanonderbreking. De bepalingen van deze wet zijn vanaf 1 december 2001 opgenomen in de Wet arbeid en zorg. De thans voorgestelde wijzigingen zijn reeds opgenomen in de Invoeringswet Wet arbeid en zorg, doch kunnen niet worden aangebracht nu bij de formulering in die wet geen rekening is gehouden met de Veegwet inkomstenbelasting 2001. Het voorstel is deze wijzigingen te laten terugwerken tot en met 1 december 2001, zijnde de datum van inwerkingtreding van de Invoeringswet Arbeid en Zorg.”
De wijziging vloeit dus eigenlijk voort uit de Invoeringswet Wet arbeid en zorg (Kamerstukken II 1999/00, 27208, nr. 2, p. 15-16). De wijziging voor de inkomstenbelasting werd bij dit wetsvoorstel als volgt toegelicht:
“Met dit artikel worden de aanpassingen aangebracht in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 die noodzakelijk zijn in verband met de overheveling van de uitkering in verband met bevalling van hoofdstuk 3, afdeling, 2, paragraaf 2, Wet arbeid en zorg en van de Wet financiering loopbaanonderbreking naar hoofdstuk 8 Wet arbeid en zorg. Daarnaast wordt de uitkering in verband met adoptie op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 2, Wet arbeid en zorg eveneens onder de werking van de betrokken artikelen van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 gebracht.”
Kamerstukken II 1999/00, 27208, nr. 3, p. 10.
Artikel 1.7a, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 2001 is met ingang van 1 januari 2011 in het kader van de Wet Uniformering Loonbegrip ongewijzigd verplaatst naar artikel 8.1, tweede lid, onderdeel b, Wet IB 2001 en dit lid is met ingang van 1 januari 2013 verletterd naar onderdeel d. De bepaling is sindsdien ongewijzigd.
Tweede tussenconclusie
Hoewel de Wfl in tegenstelling tot de WAZO alleen zag op situaties dat sprake was van een dienstbetrekking, kan door het een-op-een overnemen van de bewoording van de betreffende wettekst bij de invoering van de WAZO (en het vervallen van de Wfl), de toelichting in de memorie van toelichting die betrekking heeft op invoering van de Wfl ook worden toegepast op de wijziging bij invoering van de WAZO. Bij de invoering van de WAZO en het wijzigen van de betreffende bepalingen in de Wet IB 2001 is nergens opgemerkt of toegelicht dat er een wijziging is beoogd ten opzichte van de eerdere bepalingen.
Bij een uitleg van artikel 1.7a, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 2001 dat de WAZO-uitkering door de werkgever dient te worden voldaan, zou het recht op (toen) het hoge arbeidskostenforfait door deze aanpassing komen te vervallen. Als dit zou zijn beoogd, zou dit in de memorie van toelichting zijn onderbouwd en toegelicht. De gevolgen voor de betrokken belastingplichtigen zijn namelijk aanzienlijk. Uit het ontbreken van een onderbouwing of toelichting kan worden opgemaakt dat met de wijzigingen niet is beoogd om enige wijziging in het recht op het hoge arbeidskostenforfait te bewerkstellingen voor belastingplichtigen die een zwangerschapsuitkering ontvangen.
De wijziging van artikel 1.7a Wet IB 2001 is aangebracht, omdat de Wfl onderdeel werd van de WAZO. De wetgever heeft daarom ‘Wfl’ in het eerste lid onderdeel b, gewijzigd in ‘WAZO’ en in het tweede lid, onderdeel b ‘uitkeringen in verband met bevallingen’ verwijderd (omdat deze onderdeel gingen uitmaken van de WAZO). De zinsnede “en aanvullingen daarop door degene tot wie de belastingplichtige in dienstbetrekking staat” is niet gewijzigd. Ook hiervoor geldt dat uit het ontbreken van een onderbouwing of toelichting kan worden opgemaakt dat met de wijzigingen niet is beoogd om enige wijziging in het recht op het hoge arbeidskostenforfait te bewerkstellingen voor belastingplichtigen die gerechtigd zijn tot aanvullingen van degene tot wie de belastingplichtige in dienstbetrekking staat.
Jurisprudentie
Hof Leeuwarden heeft op 9 oktober 2009 (ECLI:NL:GHLEE:2009:BK0391) impliciet geoordeeld dat een WAZO-uitkering uitsluitend als loon uit tegenwoordige arbeid kan worden aangemerkt als sprake is van een dienstbetrekking. Ten aanzien van de gelijkstelling met loon uit tegenwoordige arbeid in de zin van artikel 1.7a Wet IB 2001 (thans artikel 8.1, tweede lid, Wet IB 2001) oordeelde het hof dat een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (hierna: WW) niet wordt gelijkgesteld met loon uit tegenwoordige arbeid. Hierbij merkte het hof op dat geen sprake is van ongelijke behandeling en discriminatie van werklozen ten opzichte van werknemers met een uitkering genoten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid en WAZO-uitkeringen. De gelijkstelling met loon uit tegenwoordige arbeid voor deze uitkeringen ziet op inkomsten en uitkeringen die betrekking hebben op een periode waarin ondanks dat er geen arbeid wordt verricht de dienstbetrekking tussen de werkgever en de werknemer in stand blijft. Daar is bij een WW-uitkering geen sprake van. Het hof gaat er dus vanuit dat een WAZO-uitkering alleen met loon uit tegenwoordige arbeid gelijk wordt gesteld als sprake is van een dienstbetrekking, maar gaat hier verder niet op in. De Hoge Raad heeft op 18 juni 2010 vervolgens het beroep in cassatie afgedaan met toepassing van artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie (ECLI:NL:HR:2010:BM7695).
Parlementaire behandeling artikel 22a, derde lid, onderdeel c, Wet LB 1964
De wetgever lijkt in 2018 in het kader van de aanpassing van artikel 22a, derde lid, onderdeel c, Wet LB 1964 met voorbeelden aan te geven dat de WAZO-uitkering voor de zestien weken zwangerschaps- en bevallingsverlof ook na de dienstbetrekking meetelt voor de hoogte van de arbeidskorting. Zie Kamerstukken II 2018/19, 35026, nr. 13, p. 47-48.
Het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: UWV) stelt bij de uitvoeringstoets hierop: Met dit voorstel blijft het recht op arbeidskorting bij WAZO-uitkering ongewijzigd; recht op arbeidskorting blijft bestaan ongeacht wel of geen dienstbetrekking, omdat de WAZO-uitkering gelijkgesteld wordt aan loon uit tegenwoordige arbeid (artikel 22a, derde lid, onderdeel d, Wet LB 1964). Zie Kamerstukken II 2018/19, 35026, nr. 29.
Over de gelijkstelling van aanvullingen op de WAZO-uitkering met loon uit tegenwoordige arbeid wordt door de wetgever en het UWV niets opgemerkt.
Eindconclusie
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ook na het einde van de dienstbetrekking een WAZO-uitkering gelijkgesteld wordt met loon uit tegenwoordige arbeid. De hofuitspraak van 9 oktober 2009 doet hier niet aan af onder andere omdat hier niet een WAZO-uitkering, maar een WW-uitkering in het geding was.
De bedoeling van de wetgever was evident om uitkeringen die gelijkgesteld waren met loon uit tegenwoordige arbeid vóór invoering van de WAZO (zoals uitkeringen wegens zwangerschap) ook na invoering van de WAZO gelijk te stellen. De gelijkstelling vindt alleen sindsdien plaats op grond van een ander onderdeel van artikel 1.7a, eerste lid, Wet IB 2001 (thans artikel 8.1 Wet IB 2001). Gelet hierop worden WAZO-uitkeringen aan werknemers en ex-werknemers gelijkgesteld met loon uit tegenwoordige arbeid.
Een eventuele aanvulling op een WAZO-uitkering na de dienstbetrekking kan echter niet gelijkgesteld worden met loon uit tegenwoordige arbeid. Dit volgt uit de letterlijke tekst van het artikel. Het moet gaan om een aanvulling van iemand “tot wie de belastingplichtige in dienstbetrekking staat”. Ook de wetsgeschiedenis geeft geen aanleiding om een dergelijke aanvulling die loon uit vroegere arbeid vormt anders te behandelen. De Wfl zag in tegenstelling tot de WAZO alleen op situaties dat sprake was van een dienstbetrekking. Het was de bedoeling van de wetgever om alleen eventuele aanvullingen op de Wfl gelijk te stellen met loon uit tegenwoordige arbeid. Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat de wetgever dit op enig moment heeft willen uitbreiden naar aanvullingen van ex-werkgevers.
Samengevat:
- Op de WAZO-uitkering aan werknemers en ex-werknemers is de witte tabel van toepassing.
- Ook op een aanvulling van een WAZO-uitkering tijdens de dienstbetrekking is de witte tabel van toepassing.
- Op een aanvulling van een WAZO-uitkering na het einde van de dienstbetrekking is de groene tabel van toepassing.
Met de Wet IB 2001 is de arbeidskorting ingevoerd. Deze was gebaseerd op het arbeidskostenforfait van artikel 37 Wet IB 1964, dat bedoeld was als tegemoetkoming voor de werkelijke kosten ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking. De arbeidskorting is echter in de loop der jaren meer ingezet als instrument om de arbeidsparticipatie te bevorderen, bijvoorbeeld door de korting inkomensafhankelijk te maken. Deze ontwikkeling leidt niet tot een andere eindconclusie.
Ter informatie
Als niet de werkgever, maar het UWV de WAZO-uitkering aan de werknemer betaalt, is deze op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel c, Wet LB 1964 inhoudingsplichtig. Ook in dat geval wordt de uitkering gelijkgesteld met loon uit tegenwoordige arbeid en is dus de witte tabel van toepassing.