KG:206:2026:1 Het begrip ‘sociaal belang’
Publicatiedatum 17-03-2026, 9:33 | Laatste update 17-03-2026, 9:33 |
Aanleiding
Vanuit de uitvoeringspraktijk is een vraag opgekomen over de uitleg van het begrip ‘sociaal belang’ in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb 1969) respectievelijk de Successiewet 1956 (hierna: SW 1956).
Vraag
Kan voor de uitleg van het begrip ‘sociaal belang’ in de Wet Vpb 1969 en de SW 1956 worden aangesloten bij datgene wat daaronder wordt verstaan in relatie tot de ‘sociaal belang behartigende instelling’ (SBBI) als genoemd in artikel 5c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR)?
Antwoord
Ja. De kennisgroep heeft in de wetsgeschiedenis geen aanwijzingen gevonden voor een verschillende uitleg van het begrip ‘sociaal belang’ in de diverse heffingswetten.
Beschouwing
Het begrip sociaal belang komt op meerdere plaatsen in fiscale wetgeving voor en is niet wettelijk gedefinieerd. Om meer zicht te krijgen op de uitleg van het begrip volgt eerst een verkenning van dit begrip op hoofdlijnen in de diverse fiscale wetten (zie hierna onderdeel 1 tot en met 3). Op basis van deze verkenning wordt in onderdeel 4 tot een conclusie gekomen ten aanzien van de voorgelegde vraag.
1. Het begrip ‘sociaal belang’ in de Wet Vpb 1969
In de Wet Vpb 1969 is dit begrip voor het eerst geïntroduceerd per 1 januari 2002 in artikel 6, onderdeel b, Wet Vpb 1969. Het ging daarbij om het onder voorwaarden toekennen van een zogenoemde subjectieve belastingvrijstelling aan lichamen die een algemeen maatschappelijk of sociaal belang behartigden.
In de wetsgeschiedenis met betrekking tot deze bepaling zijn in eerste aanleg heel weinig aanknopingspunten te vinden die een duidelijke uitleg geven aan het begrip behartigen van een sociaal belang. De memorie van toelichting (Kamerstukken II 2001/02, 28034, nr. 3, p. 5 en 6) meldt hierover het volgende:
“2.5 Goede-doelinstellingen en fondswervende instellingen
In de brieven van de ondergetekende van 14 april 1999 (persbericht nr. 99/081) en 18 april 2000 (WDB 2000–266M) aan de Tweede Kamer is een aantal knelpunten op het gebied van de vennootschapsbelasting gesignaleerd bij goed-doelinstellingen en fondswervende instellingen. Deze knelpunten zijn nader bezien. Naar aanleiding daarvan wordt een aantal wettelijke aanpassingen voorgesteld en zal een aantal wijzigingen bij algemene maatregel van bestuur en bij Koninklijk Besluit plaatsvinden. Instellingen die een algemeen maatschappelijk belang behartigen en waarbij het streven naar winst ontbreekt of van bijkomstige betekenis is, kunnen onder voorwaarden vrijgesteld zijn van vennootschapsbelasting. Voorgesteld wordt die vrijstelling voortaan ook te laten gelden voor instellingen welke geen algemeen maatschappelijk belang behartigen maar waarbij de behartiging van een sociaal belang op de voorgrond staat en de winst hoofdzakelijk wordt behaald met behulp van arbeid van vrijwilligers. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan amateursportclubs.”
Daarbij werd het begrip sociaal belang niet verder uitgewerkt.
In het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën 20 november 2002, nr. CPP2002/3050M (vervangen door het Besluit van 23 december 2005, nr. CPP2005/2731M, dat op zijn beurt is ingetrokken bij Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 16 december 2016, 2016-221112, Stcrt. 2016,69133) heeft de staatssecretaris enkele vragen over deze regeling (lees: de wetgeving vanaf 1 januari 2002) beantwoord.
Een van de vragen luidde:
“Bij welke lichamen staat de behartiging van een sociaal belang op de voorgrond? Vallen sportverenigingen daar ook onder?”
Het antwoord op deze vraag was:
“Ja, sportverenigingen zijn lichamen waarbij de behartiging van een sociaal belang op de voorgrond staat. Andere voorbeelden zijn muziekverenigingen, scoutinggroepen, personeelsverenigingen. Een aanwijzing voor het sociale karakter van een lichaam is doorgaans de inzet van vrijwilligers zonder vergoeding dan wel tegen een lage vergoeding.”
In 2012 is artikel 9, eerste lid, onderdeel h, Wet Vpb 1969 in werking getreden (Stb. 2011, 640). Deze bepaling, die via de Wet van 20 december 2023, Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen (Stb. 2023, 508) per 1 januari 2025 is verletterd tot onderdeel g, luidt als volgt:
“bij een algemeen nut beogende instelling en bij een lichaam dat een sociaal belang behartigt en de winst hoofdzakelijk behaalt met behulp van arbeid die door natuurlijke personen om niet of naar een loon dat in belangrijke mate lager is dan hetgeen in het economische verkeer gebruikelijk is, wordt verricht (vrijwilligers): de kosten die met betrekking tot vrijwilligers aftrekbaar zouden zijn indien hun beloning plaats zou vinden op basis van het minimumloon, verminderd met de werkelijke kosten.”
In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2011/12, 33004, nr. 3, p. 8 en 44) is het volgende vermeld:
“Om de onduidelijkheden met betrekking tot de begrippen «behartigen van een algemeen maatschappelijk of sociaal belang» weg te nemen wordt voortaan aangesloten bij het begrip ANBI. Voorts wordt voor het sociaal belang de voorwaarde versoepeld doordat er geen kwantitatieve eis meer wordt gesteld aan de mate waarin het sociaal belang behartigd moet worden. (…)
In het voorgestelde artikel 9, eerste lid, onderdeel h, van de Wet Vpb 1969 is een regeling opgenomen voor de aftrek van fictieve vrijwilligerskosten. (…)
Verder is de term «lichaam waarbij een sociaal belang op de voorgrond staat» gewijzigd in «lichaam dat een sociaal belang behartigt». De eis dat een dergelijk lichaam zijn winst hoofdzakelijk dient te behalen met behulp van vrijwilligers blijft gehandhaafd, omdat dit een belangrijk kenmerk is van instellingen die sociale activiteiten ontplooien, in tegenstelling tot en ter afbakening van commerciële activiteiten.”
De wettekst is aangepast en afgestemd op de terminologie zoals die ook is terug te vinden in artikel 5b en artikel 5c AWR. Dit levert een indicatie op voor de conclusie dat voor de uitleg van het begrip ‘behartigen van een sociaal belang’ kan worden aangesloten bij hetgeen daaronder verstaan wordt in artikel 5c AWR.
2. Het begrip ‘sociaal belang’ in de Successiewet 1956
Op grond van het Belastingplan 2009 werden sportverenigingen, dorpshuizen
en – op een later tijdstip – specifiek nut beogende instellingen onder verschillende voorwaarden vrijgesteld van successie- en schenkingsrecht. Per 1 januari 2010 zijn deze bepalingen vervangen door één regeling voor instellingen die een sociaal belang behartigen met één set voorwaarden die werd opgenomen in artikel 32, eerste lid, onderdeel 8, en artikel 33, onderdeel 13, SW 1956. Per 1 januari 2012 is de regelgeving omtrent de SBBI in artikel 5c AWR opgenomen en gelden de vrijstellingen voor de erf- en schenkbelasting voor verkrijgingen door SBBI’s, onder de voorwaarde dat aan de verkrijging niet een opdracht mag zijn verbonden die de aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het sociaal belang.
Het begrip sociaal belang is in wetsgeschiedenis in het kader van de SW 1956 in algemene bewoordingen ingevuld. Uit de memorie van toelichting volgt slechts dat de instelling activiteiten moet ontplooien voor en met mensen, activiteiten waaraan een grote maatschappelijke waarde kan worden toegekend omdat zij een belangrijke bijdrage leveren aan een gezonde en veerkrachtige samenleving en de sociale cohesie bevorderen (Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 3, p. 8-9).
Het onderscheid tussen het sociale en het algemene belang is door de staatssecretaris als volgt omschreven (Kamerstukken II 2009/10, 31 930, nr. 9, p. 59):
“Het principiële onderscheid tussen het sociale en algemene belang is, dat het sociale belang in feite een particulier belang is waaraan desalniettemin maatschappelijk een grote waarde wordt toegekend. Sociaal belang behartigende instellingen dienen in de eerste plaats – in tegenstelling tot algemeen nut beogende instellingen – het privé belang van de leden van de instelling. Het plezier dat die leden ontlenen aan de binnen het verband van de SBBI verrichte activiteiten – sporten, muziek maken, volksdansen of toneelspelen enz. – staat daarbij duidelijk voorop. Maar daarnaast is er sprake van dat die activiteiten een toegevoegde waarde hebben, omdat ze maatschappelijk als wenselijk worden ervaren. Die toegevoegde waarde zit in het feit dat de activiteiten van de instelling uitgevoerd worden door, voor en met mensen en daarmee bijdragen aan het gevoel van saamhorigheid, solidariteit en betrokkenheid. De werkzaamheden van de sociaal belang behartigende instelling dragen bij aan een sterkere en gezondere samenleving waarin iedereen meetelt en dat ook ervaart.”
De staatssecretaris heeft daarbij een aantal voorbeelden van SBBI’s genoemd. Meer invulling wilde de staatssecretaris niet geven, maar hij was bereid om in overleg te treden met praktijkorganisaties en te bezien of er aanleiding was een beleidsbesluit te publiceren indien alsnog meer duidelijkheid over definities was gewenst. De staatssecretaris motiveerde dat als volgt (Kamerstukken II 2009/10, 31930, nr. 13, p. 12):
“Leden van de fractie van het CDA en die van de fractie van de SP geven aan dat de invulling van het begrip sociaal belang wat aan de algemene kant is. SBBI’s zijn echter een nieuwe categorie van instellingen die de overheid wil steunen wegens hun toegevoegde maatschappelijke waarde. Een algemene beschrijving van deze categorie geeft de praktijk en rechterlijke macht de ruimte een nadere invulling aan het begrip sociaal belang te geven en voorkomt dat van de toepassing van de SBBI-vrijstelling instellingen uitgesloten worden die, hoewel zij net niet binnen de beschreven categorie vallen, wel degelijk een sociaal belang behartigen. Het voordeel van een dergelijk systeem is dat beter kan worden omgegaan met ontwikkelingen die op het moment van de totstandkoming van de wet niet te voorzien waren. Herhaald wordt dat onder het behartigen van een sociaal belang verstaan wordt activiteiten die weliswaar in de eerste plaats gericht zijn op het particulier belang maar waaraan een grote maatschappelijke waarde toegekend kan worden omdat zij ook voor de maatschappij als geheel van belang zijn.”
3. Het begrip ‘sociaal belang’ in artikel 5c AWR
Zoals eerder aangegeven is de regelgeving omtrent de SBBI met ingang van 1 januari 2012 overgeheveld naar artikel 5c AWR. Artikel 5c AWR luidt als volgt:
“Een sociaal belang behartigende instelling is een instelling:
a. die in overeenstemming met haar regelgeving een sociaal belang behartigt;
b. die niet aan een winstbelasting is onderworpen dan wel daarvan is vrijgesteld;
c. die aan de leden van het orgaan van de instelling dat het beleid bepaalt ter zake van de door die leden voor de instelling verrichte werkzaamheden geen andere beloning toekent dan een vergoeding voor gemaakte onkosten en een niet bovenmatig vacatiegeld;
d. die is gevestigd in het Koninkrijk, in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een bij ministeriële regeling aangewezen staat.”
De AWR bevat geen definitie van het begrip sociaal belang. De wetgever heeft er bewust voor gekozen, zoals blijkt uit de hiervoor opgenomen bronnen, de invulling van het begrip sociaal belang over te laten aan de praktijk en aan de rechter. De staatssecretaris heeft wel opgemerkt dat onder het behartigen van een sociaal belang wordt verstaan activiteiten die weliswaar in de eerste plaats gericht zijn op het particulier belang maar waaraan een grote maatschappelijke waarde toegekend kan worden omdat zij ook voor de maatschappij als geheel van belang zijn.
Het begrip sociaal belang maakt onderdeel uit van de definitie waaraan de SBBI dient te voldoen (artikel 5c AWR). Bij de SBBI gaat het om instellingen wier werkzaamheden zich primair richten op een particulier belang, dat wil zeggen het belang van leden of van een beperkte doelgroep, maar waaraan desalniettemin maatschappelijk een grote waarde wordt toegekend. Voor de invulling van dat begrip (maatschappelijke waarde) is niet gekozen voor kwantitatieve criteria, zoals het voor de ANBI geldende 90%-criterium. Voorbeelden van SBBI’s dan wel van instellingen die een sociaal belang behartigen zijn (Kamerstukken I 2009/10, 31930, nr. D, p. 41):
"(…)
• zang- en (volks)dansverenigingen
• muziek- en harmonieverenigingen
• sportclubs
• buurtverenigingen
• niet-commerciële buurt- en dorpshuizen
• hobbyclubs
• personeelverenigingen
• ouderenverenigingen
• lokale scoutingclubs
• amateur toneelverenigingen en theatergroepen
• andere maatschappelijke organisaties van waarde voor de samenleving, met als overeenkomstige doelstelling: het behartigen van het particuliere belang van de instelling en leden, met activiteiten die in het sociaal belang zijn. (…)”
Het begrip ‘een lichaam dat een sociaal belang behartigt’ (als bedoeld in artikel 9 Wet Vpb 1969) verschilt blijkens de parlementaire geschiedenis van het begrip SBBI. In de Wet Vpb 1969 is echter gekozen voor deze omschrijving in plaats van de term SBBI omdat één van de voorwaarden van een SBBI is dat die instelling niet aan een winstbelasting is onderworpen, dan wel daarvan is vrijgesteld. SBBI’s kunnen dus niet onder de heffing van vennootschapsbelasting vallen en hebben derhalve geen baat bij een aftrekpost. Er zijn echter ook lichamen die een sociaal belang behartigen en die vanwege de door hen behaalde resultaten wél onder de heffing van vennootschapsbelasting vallen. Een SBBI is altijd een lichaam dat een sociaal belang behartigt. Andersom is dus niet altijd het geval, maar een lichaam dat een sociaal belang behartigt kan wel een SBBI worden als door de aftrek van fictieve loonkosten (op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel g Wet Vpb 1969) de winst van het lichaam daalt beneden de vrijstellingsgrens (artikel 6 Wet Vpb 1969).
Gezien het voorgaande bestaat ten aanzien van de term sociaal belang, buiten de voorwaarden van artikel 5c AWR, dan ook geen onderscheid tussen een lichaam dat een sociaal belang behartigt (als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel g, Wet Vpb 1969) en een SBBI als bedoeld in artikel 5c AWR.
4. Conclusie
Gelet op het voorgaande moet voor de uitleg van het begrip ‘sociaal belang’ in de Wet Vpb 1969 en de SW 1956 worden aangesloten bij datgene wat daaronder thans in artikel 5c, onderdeel a, AWR wordt verstaan. Er zijn geen aanknopingspunten gevonden in de wetsgeschiedenis of beleidsbesluiten die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Voor zowel het lichaam dat een sociaal belang behartigt (Wet Vpb 1969), alsook voor de SBBI (o.a. AWR en SW 1956) geldt dat een sociaal belang kan worden vastgesteld wanneer de instelling activiteiten verricht die primair zijn gericht op het particuliere belang van leden of een beperkte doelgroep en waaraan een grote maatschappelijke waarde toegekend kan worden, omdat zij ook voor de maatschappij als geheel van belang zijn.