Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

KG:210:2026:2 Reikwijdte verleggingsregeling; loonwerk

Aanleiding

Een loonwerkbedrijf (aannemer) verricht loonwerk voor een opdrachtgever in de tuinbouwsector en schakelt daarvoor een zelfstandige loonwerker (onderaannemer) in. De gewassen staan in de volle grond en zijn daardoor samen met de grond te beschouwen als onroerende zaken. De werkzaamheden bestaan bijvoorbeeld uit het toppen, draaien en oogsten van gewassen, het frezen en spitten van de grond, en het schoonspuiten en krijten van de kassen.

Vraag

Is de verleggingsregeling van artikel 12, vijfde lid, Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB 1968), in samenhang met artikel 24b, eerste en vijfde lid, Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (hierna: Uitvoeringsbesluit OB 1968) van toepassing op de werkzaamheden van de loonwerker?

Antwoord

Ja, de verleggingsregeling van artikel 12, vijfde lid, Wet OB 1968, in samenhang met artikel 24b, eerste en vijfde lid, Uitvoeringsbesluit OB 1968 is van toepassing op de werkzaamheden van de loonwerker.

Beschouwing

De verleggingsregeling is van toepassing op de werkzaamheden van de loonwerker. Er is sprake van werkzaamheden van stoffelijke aard die in onderaanneming worden verricht en betrekking hebben op het onderhoud en andere dienstverlening aan bomen, planten, gewassen, grond, kassen en andere onroerende zaken.

De verlegging van de heffing was oorspronkelijk, als afwijking van de Zesde richtlijn (Richtlijn 77/388/EG van de Raad van 17 mei 1977, PB L 145 van 13 juni 1977), toegestaan op basis van een machtiging op de voet van artikel 27 van die richtlijn om een regeling te mogen invoeren zoals uitgewerkt in artikel 24b Uitvoeringsbesluit OB 1968. In dit artikel is opgenomen dat sprake moet zijn van uitvoering van een werk van stoffelijke aard dat betrekking heeft op onroerende zaken en schepen.

Uit zowel de toelichting bij het machtigingsverzoek aan de Raad EG als uit de nota van toelichting bij het besluit van 19 juni 1982 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (Stb. 1982, 357) blijkt dat de term ‘werk van stoffelijke aard’ ruim moet worden opgevat.

Ook in het beleid van de staatssecretaris worden werkzaamheden van hovenier- en schoonmaakbedrijven met betrekking tot onroerende zaken als werk van stoffelijke aard aangemerkt (zie het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 12 december 2023, nr. 2023-26908 (Stcrt. 2023, 31602), par. 6.2.), waarop de verleggingsregeling toepassing kan vinden.

De verleggingsregeling is vanaf 2007 voor wat betreft onroerende zaken inhoudelijk en qua reikwijdte materieel in lijn met artikel 199 btw-richtlijn.

De uitwerking van de verleggingsregeling in artikel 24b Uitvoeringsbesluit OB 1968 valt zowel binnen de machtiging uit 1982 als binnen artikel 199 btw-richtlijn.

De werkzaamheden van de loonwerker kwalificeren als diensten met betrekking tot een onroerende zaak.

Steun voor dit standpunt wordt ontleend aan artikel 31bis, tweede lid, Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 1042/2013 van de Raad van 7 oktober 2013 en paragraaf 2.4.6 van de zogeheten ‘Explanatory Notes’: agrarische diensten aan als onroerend te beschouwen gewassen kwalificeren als diensten met betrekking tot een onroerende zaak.

De werkzaamheden van de loonwerker bestaan uit het toppen, draaien en oogsten van gewassen in de volle grond, het frezen en spitten van de grond, en het schoonspuiten en krijten van de kassen. Dit zijn allemaal fysieke werkzaamheden aan een onroerende zaak.

Deel deze pagina