Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de footer

KG:211:2025:3 Toepassing subjectieve vrijstelling artikel 5, eerste lid, onderdeel f, Wet Vpb 1969

Aanleiding

X, een Duits lichaam dat onder andere een pensioenregeling aanbiedt aan een specifieke beroepsgroep, doet een verzoek om teruggave van dividendbelasting. Onderdeel van dit verzoek is een beroep van dit lichaam op de subjectieve vrijstelling van artikel 5, eerste lid, onderdeel f, Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb 1969).

Vraag

Zou de subjectieve vrijstelling van artikel 5, eerste lid, onderdeel f, Wet Vpb 1969 van toepassing zijn op X, dat onder andere een pensioenregeling aanbiedt aan een specifieke beroepsgroep, als X in Nederland zou zijn gevestigd?

Antwoord

Nee, X zou bij vestiging in Nederland geen beroep kunnen doen op deze vrijstelling, aangezien de subjectieve vrijstelling van artikel 5, eerste lid, onderdeel f, Wet Vpb 1969 niet van toepassing is op een lichaam dat onder andere een pensioenregeling aanbiedt voor een specifieke beroepsgroep.

Beschouwing

In artikel 5, eerste lid, onderdeel f, Wet Vpb 1969 is een subjectieve vrijstelling opgenomen voor instellingen die voldoen aan de volgende omschrijving:

“Instellingen welke krachtens de wet zijn toegelaten of erkend als draagster van risico met betrekking tot publiekrechtelijk geregelde verzekeringen, uitsluitend of nagenoeg uitsluitend risico’s verzekeren krachtens de sociale-verzekeringswetten met uitzondering van de Zorgverzekeringswet en geen andere ondernemingen drijven dan een verzekeringsonderneming;”

Uit deze bepaling volgen de volgende (cumulatieve) voorwaarden:

  1. Er moet sprake zijn van een instelling.
  2. Deze instelling moet krachtens de wet zijn toegelaten of zijn erkend als draagster van risico ten aanzien van publiekrechtelijk geregelde verzekeringen.
  3. De instelling mag uitsluitend of nagenoeg uitsluitend risico’s verzekeren krachtens de sociale-verzekeringswetten.
  4. De instelling mag geen andere onderneming drijven dan een verzekeringsonderneming.

X heeft de rechtsvorm van een Körperschaft des öffentlichen Rechts naar Duits recht en biedt onder andere een pensioenregeling aan. Voor de beantwoording van de gestelde vraag kan worden aangenomen dat aan de eerste voorwaarde is voldaan. Of voldaan wordt aan de tweede en vierde voorwaarde kan in het midden worden gelaten, omdat niet wordt voldaan aan de derde voorwaarde.

X kent een verplichte deelname aan een pensioenregeling voor een specifieke beroepsgroep binnen een Bondsland. Daarnaast bestaat voor de deelnemer de mogelijkheid om een deel van een sociale verzekering (de zogenoemde Gesetzliche rente) vrijwillig via het fonds te laten verlopen.

Daarnaast bestaat bij X de mogelijkheid tot een afkoopsom in het geval van echtscheiding en is restitutie van betaalde premies mogelijk.

Artikel 5, eerste lid, onderdeel f, Wet Vpb 1969 is geschreven voor publiekrechtelijk geregelde verzekeringen, met name voor instellingen die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend risico’s verzekeren krachtens de sociale-verzekeringswetten en voorts geen andere onderneming drijven dan een verzekeringsonderneming.

De sociale verzekeringen bestaan uit twee categorieën. De eerste categorie bestaat uit de volksverzekeringen die verplicht zijn voor iedereen in Nederland, te weten de Algemene Ouderdomswet (AOW), Algemene nabestaandenwet (Anw), de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). De tweede categorie bestaat uit de werknemersverzekeringen die verplicht zijn voor iedereen die in Nederland in loondienst werkt: de Ziektewet, de Werkloosheidwet (WW) en Wet Inkomen en Arbeid (WIA). Kenmerkend voor deze sociale-verzekeringswetten is het verplichte en generieke karakter.

Uit de parlementaire geschiedenis is op te maken dat (in ieder geval vanaf 2006) de vrijstelling van artikel 5, eerste lid, onderdeel f, Wet Vpb 1969 (tot 1 januari 2008: onderdeel g) niet gold voor zorgverzekeraars.

Kamerstukken II, 2004-2005, 30 124, nr. 3, p. 81.

“ (…) De wijziging in artikel 5, eerste lid, onderdeel g, van de Wet Vpb expliciteert dat de zorgverzekeraars in de zin van de Zvw niet ook onder dat onderdeel vallen. Hoewel de zorgverzekeraars geen publiekrechtelijk geregelde verzekeringen uitvoeren in de zin van «verzekeringen van rechtswege», stelt de Zvw wel wettelijke -dus publiekrechtelijk geregelde- voorwaarden aan de zorgverzekeringen (zoals de acceptatieplicht voor een bij en krachtens de wet geregeld pakket en het verbod van premiedifferentiatie), zodat zonder de voorgestelde uitsluiting de vraag zou kunnen opkomen of, naast onderdeel f, ook onderdeel g op zorgverzekeraars van toepassing zou kunnen zijn. (…)”

Uit het feit dat voor pensioenverzekeringen een specifieke vrijstelling is opgenomen in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, Wet Vpb 1969 kan worden afgeleid dat pensioenverzekeringen niet worden gerekend tot de sociale-verzekeringswetten als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel f Wet Vpb 1969. Een verklaring daarvoor kan worden gevonden in het niet-generieke karakter van pensioenverzekeringen.

De specifieke bewoordingen ‘de sociale-verzekeringswetten’ in artikel 5, eerste lid, onderdeel f, Wet Vpb 1969 doen vermoeden dat bij de totstandkoming van de wet alleen is gedacht aan de Nederlandse sociale-verzekeringswetten. Aangenomen wordt dat de onderhavige bepaling eveneens van toepassing moet worden geacht op een buitenlandse regeling die naar aard en strekking overeenkomt met de Nederlandse sociale-verzekeringswetten.  

Hoewel X is ingesteld op basis van een lokale Duitse wet en zich bezighoudt met in die wet omschreven activiteiten, zien die activiteiten naar de mening van de kennisgroep niet (nagenoeg uitsluitend) op het verzekeren van risico’s krachtens de sociale-verzekeringswetten. Kenmerkend voor een sociale verzekering is ten eerste de verplichte deelname. Deelname aan de door X aangeboden regeling heeft enkel voor een bepaalde beroepsgroep een verplicht karakter. Daarnaast kent de regeling ook een vrijwillig karakter (namelijk het op instigatie van de deelnemer overnemen van de ‘Gesetzliche Rente’ component). De kennisgroep is van mening dat deze regeling door de vrijwillige deelname niet het verplichte karakter heeft van een sociale verzekering. Omdat het verplichtende karakter van de regeling bij X ontbreekt wordt niet voldaan aan de derde voorwaarde voor de vrijstelling.

De regeling die X aanbiedt, is bovendien gericht op een specifieke (en dus beperkte) beroepsgroep, waardoor de regeling het generieke karakter mist dat de sociale-verzekeringswetten kenmerkt. De kennisgroep trekt daarom de conclusie dat X in het geheel niet voldoet aan de hierboven genoemde derde voorwaarde.

Conclusie

De kennisgroep belastingplicht en kwalificatie rechtsvormen is van mening dat X, ware zij gevestigd in Nederland, niet van de vennootschapsbelasting zou zijn  vrijgesteld op grond van artikel 5, eerste lid, onderdeel f, Wet Vpb 1969.

Deel deze pagina