KG:211:2026:18 Frans Fonds Commun de Placement
Publicatiedatum 10-06-2026, 9:04 | Laatste update 10-06-2026, 9:04 |
Aanleiding
De kwalificatie vindt plaats in verband met de belastingheffing ten aanzien van een naar het recht van Frankrijk aangegaan fonds commun de placement (hierna: FCP).
Vraag
Met welke Nederlandse rechtsvorm is een Frans FCP vergelijkbaar voor de toepassing van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb 1969), de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001), de Wet op de dividendbelasting 1965 (hierna: Wet DB 1965) en de Wet bronbelasting 2021 (hierna: Wet BB 2021)?
Antwoord
Een Frans FCP is voor de toepassing van de Wet Vpb 1969, de Wet IB 2001, de Wet DB 1965 en de Wet BB 2021 niet vergelijkbaar met een Nederlandse rechtsvorm als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel b, onder 1e tot en met 9e, Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen. De vraag of een Frans FCP vergelijkbaar is met een fonds voor gemene rekening als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Wet Vpb of een transparant fonds als bedoeld in artikel 2.14bis, zevende lid, van de Wet IB 2001 is afhankelijk van de relevante feiten en omstandigheden van het geval. De beoordeling hiervan is voorbehouden aan de inspecteur.
Beschouwing
Bij deze kwalificatie kon worden beschikt over:
- De Code Monétaire et Financier, onderdeel Les instruments financiers (L211-1 a L214-19185), in de Franse taal (hierna: CMF);
- de Code de Commerce (Titre II : Dispositions particulières aux diverses sociétés commerciales; artikelen L221-1 tot L22-10-78), in de Franse taal (hierna ook: C.com.);
- de Code Civil (Titre IX : De la société; artikelen L1832 tot L1873), in de Franse taal;
- het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen (hierna: Besluit VBR), van Nederland;
- de Wet Vpb 1969, van Nederland;
- de Wet IB 2001, van Nederland;
- het Nederlandse Wetboek van Koophandel; en
- het Nederlandse Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Algemeen
Via de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen is per 1 januari 2025 de rechtsvormvergelijkingsmethode gecodificeerd als wettelijke methode voor de fiscale kwalificatie van buitenlandse rechtsvormen, waardoor buitenlandse rechtsvormen worden vergeleken met Nederlandse rechtsvormen. Het Besluit VBR geeft uitvoering aan de in artikelen 1.11 en 2.14bis van de Wet IB 2001, artikel 1a van de Wet Vpb 1969, artikel 1 van de Wet DB 1965 en artikel 1.2 van de Wet BB 2021 opgenomen rechtsvormvergelijkingsmethode.
In het Besluit VBR worden regels gesteld aan de hand waarvan wordt bepaald of een naar buitenlands recht opgericht of aangegaan lichaam een met een Nederlandse rechtsvorm vergelijkbare rechtsvorm heeft en, als dat het geval is, met welke Nederlandse rechtsvorm het buitenlandse lichaam dan vergelijkbaar is. De groep van Nederlandse rechtsvormen bestaat enerzijds uit de – in de meeste gevallen in Boek 2 BW benoemde – rechtsvormen die voor Nederlandse fiscale doeleinden als zelfstandig belastingplichtig worden aangemerkt (hierna ook: de BW-rechtsvormen) en anderzijds uit de Nederlandse personenvennootschappen (de vennootschap onder firma, de maatschap en de commanditaire vennootschap), die voor Nederlandse fiscale doeleinden in de regel als transparant worden aangemerkt (zodat de achterliggende participanten in de heffing worden betrokken).
De BW-rechtsvormen hebben gemeen dat zij op basis van het BW rechtspersoon zijn. Daarnaast geldt dat de BW-rechtsvormen, op de bijzondere rechtsvormen van het kerkgenootschap, de informele vereniging en de Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon na, worden opgericht bij notariële akte. Hoewel de BW-rechtsvormen een aantal kenmerken delen, kennen zij ook veel verschillen.
Voor een personenvennootschap geldt dat in het algemeen sprake is van een overeenkomst tot samenwerking ter uitoefening van een beroep of bedrijf met inbreng door ieder van de participanten met het oogmerk voordeel te behalen en dit met elkaar te delen. Personenvennootschappen hebben civielrechtelijk geen in aandelen verdeeld kapitaal en de (niet-commanditaire) vennoten zijn verbonden voor verbintenissen van de vennootschap jegens derden.
Het antwoord op de vraag of een buitenlandse rechtsvorm vergelijkbaar is met een Nederlandse rechtsvorm wordt in beginsel bepaald aan de hand van de toets of de buitenlandse rechtsvorm naar aard en inrichting vergelijkbaar is met een Nederlandse rechtsvorm.
Om de aard van een buitenlandse rechtsvorm vast te stellen dient aan de hand van het buitenlandse recht geanalyseerd te worden welke plaats de betreffende rechtsvorm in het buitenlandse recht inneemt en welke bedoeling de buitenlandse wet- of regelgever heeft gehad met die rechtsvorm. Bij deze analyse komt onder andere belang toe aan de keuze van de buitenlandse wet- of regelgever om de betreffende rechtsvorm als contractueel samenwerkingsverband (zoals de Nederlandse personenvennootschap) vorm te geven, of bijvoorbeeld als een kapitaalvennootschap (zoals de Nederlandse nv en Nederlandse bv).
De inrichting van een buitenlandse rechtsvorm heeft betrekking op de meer concrete regels die zijn gegeven voor die rechtsvorm in het buitenlandse recht. De inrichting van de Nederlandse rechtsvormen bestaat voor een belangrijk deel uit de wezenlijke kenmerken van verschillende rechtsvormen die per Nederlandse rechtsvorm zijn benoemd in afdeling 2 van hoofdstuk II van het Besluit VBR.
Toepassing van het toetsingskader op een Frans FCP
De aard van een Frans FCP
In Frankrijk is in de Code de Commerce (Titre II : Dispositions particulières aux diverses sociétés commerciales; artikelen L221-1 tot L22-10-78) en de Code Civil (Titre IX : De la société; artikelen L1832 tot L1873) een groot aantal rechtsvormen geregeld. Dit betreft onder andere de société civile, de société en commandite simple, de société à responsabilité limitée, de société anonyme en de société par actions simplifiée . De Code de Commerce vormt in Frankrijk samen met de Code Civil een combinatie van civiel recht die we in Nederland zien in het Wetboek van Koophandel samen met het BW.
De regels omtrent het FCP zijn opgenomen in de CMF. De CMF bevat de wetten en regels voor de financiële sector en reguleert onder meer het toezicht op de financiële sector. De CMF is vergelijkbaar met de Nederlandse Wet op het financieel toezicht (Wft).
In de CMF worden in artikel L214-1 drie collectieve beleggingsregelingen beschreven:
1. Organismes de placement collectif en valeurs mobilières (hierna: OPCVM)
2. Fonds d'investissement alternatifs (hierna: FIA)
3. Autres placements collectifs (andere collectieve beleggingen)
De OPCVM is de Franse implementatie van de instelling voor collectieve belegging in effecten (ICBE) als bedoeld in Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten, zoals blijkt uit artikel L214-1, I, onder 1°.
De FIA is de Franse implementatie van de alternatieve beleggingsinstelling (abi) als bedoeld in Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen, zoals blijkt uit artikel L214-I, 2°
De OPCVM kan op grond van artikel L214-4 CMF de vorm aannemen van een ‘société d'investissement à capital variable’ (SICAV) of een ‘fonds commun de placement’ (FCP). Een FIA kan ook andere vormen aannemen dan die van een SICAV of een FCP.
Een SICAV heeft volgens artikel L214-7 CMF de civiele rechtsvorm van een société anonyme (art. L225-1 C.com.) of van een société par actions simplifiée (art. L227-1 C.com.). Beide rechtsvormen zijn volgens de rechtsvormenlijst bij het Besluit VBR vergelijkbaar met een Nederlandse nv of bv.
Een Frans FCP is een contractuele overeenkomst tussen de participant, de beheermaatschappij en de bewaarder. Een FCP heeft geen rechtspersoonlijkheid, wel zijn de participanten gezamenlijk economisch eigenaar van de bezittingen. Uit artikel L214-8 CMF volgt dat een FCP een mede-eigendom van financiële instrumenten betreft waarvan de ‘parts’ worden uitgegeven en teruggekocht op verzoek van de participanten. Een FCP wordt aangegaan op initiatief van een beheermaatschappij, die belast is met het beheer ervan en die een bewaarder voor de activa van het fonds aanwijst (artikel L214-8-1 CMF). Op grond van artikel L214-8-5 CMF zijn de participanten slechts aansprakelijk voor verplichtingen van het fonds tot maximaal het bedrag van hun inleg.
Op grond van het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat de contractuele aard van een FCP afwijkt van de aard van de Franse rechtsvormen die zijn geregeld in de Code de Commerce. De contractuele rechtsvorm FCP is bovendien ook niet geregeld in de Franse civiele wetgeving, een aantal toepasselijke bepalingen uit het in de Code Civil opgenomen contractenrecht daargelaten, maar is onderdeel van de Franse financiële toezichtwetgeving. Op basis daarvan kan worden gesteld dat de aard van een FCP niet overeenkomt met die van een Nederlandse rechtsvorm als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel b, onder 1e tot en met 9e , Besluit VBR. Deze Nederlandse rechtsvormen zijn immers opgenomen in de Nederlandse civiele wet- en regelgeving. De Franse rechtsvormen die vergelijkbaar zijn met deze Nederlandse rechtsvormen worden geregeld in de Code de Commerce of de Code Civil, onderdeel van het Franse civiele recht.
De inrichting van een Frans FCP
Zoals hiervoor aangegeven onder Algemeen, bestaat de inrichting van de Nederlandse rechtsvormen voor een belangrijk deel uit de wezenlijke kenmerken zoals opgenomen in afdeling 2 van hoofdstuk II van het Besluit VBR. We concluderen hierboven dat de contractuele rechtsvorm FCP een andere aard heeft dan de in artikel 1, tweede lid, onderdeel b, onder 1e tot en met 9e, Besluit VBR opgenomen Nederlandse rechtsvormen. Omdat het gaat om vergelijkbaarheid naar aard én inrichting hoeft, in dit geval, geen vergelijking meer te worden gemaakt met genoemde wezenlijke kenmerken. Op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel b, Besluit VBR is dan sprake van een niet-vergelijkbare rechtsvorm.
Op grond van artikel 2, vierde lid, Besluit VBR kan een FCP desondanks toch vergelijkbaar worden geacht met een Nederlandse rechtsvorm als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, onder 10e of 11e, Besluit VBR. Daarvoor is vereist dat het FCP voldoet aan de voorwaarden van artikel 2, vierde lid, van de Wet Vpb 1969 (fonds voor gemene rekening) of van artikel 2.14bis, zevende lid, van de Wet IB 2001 (transparant fonds). Een dergelijke beoordeling is afhankelijk van de relevante feiten en omstandigheden van het concrete geval en derhalve voorbehouden aan de inspecteur.
Conclusie
Een naar Frans recht aangegaan FCP is naar aard en inrichting niet vergelijkbaar met een van de Nederlandse rechtsvormen als genoemd in artikel 1, tweede lid, onderdeel b, onder 1e tot en met 9e, Besluit VBR. Op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel b, Besluit VBR is een Frans FCP daarom een niet-vergelijkbare rechtsvorm. Op grond van artikel 2, vierde lid, Besluit VBR kan een FCP desondanks vergelijkbaar zijn met een fonds voor gemene rekening of een transparant fonds, mits wordt voldaan aan de daarvoor in de Wet Vpb 1969, respectievelijk de Wet IB 2001 gestelde voorwaarden.