KG:211:2026:3 Beperkte slotuitkering nabestaandenpensioen bij hertrouwen weduwe/weduwnaar geen verhindering voor toepassing artikel 5, eerste lid, onderdeel b, Wet Vpb 1969
Publicatiedatum 25-02-2026, 11:38 | Laatste update 25-02-2026, 11:38 |
Aanleiding
X is een naar het recht van land Y opgericht en feitelijk aldaar gevestigd pensioenlichaam. De werkzaamheden van X bestaan uit het uitvoeren van een pensioenregeling voor werknemers en gewezen werknemers, hun partners en hun kinderen. De pensioenregeling voorziet in de mogelijkheid tot het doen van een slotuitkering van maximaal 24 maal het maandbedrag bij de beëindiging van het nabestaandenpensioen in geval van het hertrouwen van de weduwe/weduwnaar van de overleden werknemer.
In het kader van de uitvoering van de pensioenregeling belegt X in Nederlandse aandelen, waarbij op uitgekeerd dividend dividendbelasting is ingehouden. X verzoekt om een teruggaaf van te zijnen laste ingehouden dividendbelasting (artikel 10, tweede/derde lid van de Wet op de dividendbelasting 1965). Om in aanmerking te komen voor deze teruggaafregeling, is onder meer vereist dat belanghebbende, als zij in Nederland zou zijn gevestigd, subjectief zou zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting (artikel 5, eerste lid, onderdeel b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 juncto artikel 3 Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971, hierna tezamen verder aan te duiden als artikel 5, eerste lid, onderdeel b, Wet Vpb 1969). Het beleid hierover is opgenomen in de onderdelen 3.3 en 3.4 van het beleidsbesluit van 25 november 2019, nr. 2019-187751, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 27 juli 2022, nr. 2022-8874 (hierna: het besluit). In het kader van de beoordeling of aan dit beleid is voldaan, is de volgende vraag opgekomen.
Vraag
Staat een slotuitkering bij beëindiging van het nabestaandenpensioen bij het hertrouwen van de weduwe/weduwnaar van de overleden werknemer in de weg aan de toepassing van de subjectieve vrijstelling van artikel 5, eerste lid, onderdeel b, Wet Vpb 1969?
Antwoord
Nee, deze eenmalige uitkering bij beëindiging van het nabestaandenpensioen staat niet in de weg aan de toepassing van de subjectieve vrijstelling van artikel 5, eerste lid, onderdeel b, Wet Vpb 1969. Om voor deze subjectieve vrijstelling in aanmerking te komen is uiteraard wel vereist dat aan alle voorwaarden van onderdeel 3.3 van voormeld besluit wordt voldaan. De beoordeling hiervan is voorbehouden aan de bevoegde inspecteur.
Beschouwing
In onderdeel 3.3.1 van het besluit zijn de cumulatieve voorwaarden opgenomen waaraan een in het buitenland gevestigd pensioenlichaam en de buitenlandse pensioenregeling moeten voldoen om een beroep te kunnen doen op de subjectieve vrijstelling van artikel 5, eerste lid, onderdeel b, Wet Vpb 1969. Met dit onderdeel wordt invulling gegeven aan de vraag waaraan een buitenlandse regeling moet voldoen om naar aard en strekking overeen te komen met een regeling als bedoeld in artikel 1 Pensioenwet respectievelijk de wettelijke bepalingen betreffende de loonbelasting (zie artikel 5, derde lid, onderdeel a, Wet Vpb 1969).
Eén van de voorwaarden in onderdeel 3.3.1 is voorwaarde I. Voor zover relevant voor deze casus, is hierin opgenomen dat een pensioenregeling een afkoopverbod kent. Voorwaarde I sluit aan bij het doel van het afkoopverbod onder de Nederlandse Pensioenwet, namelijk ervoor zorgen dat voldoende geld aanwezig is en blijft voor de verzorging voor de oude dag.
Op basis van sommige (oude) Nederlandse regelingen kan een ingegaan nabestaandenpensioen komen te vervallen bij hertrouwen of opnieuw samenwonen. De verzorging uit hoofde van zo’n Nederlandse regeling stopt dan. Aan de verzorgingsgedachte komt met hertrouwen of opnieuw samenwonen als het ware een einde.
De pensioenregeling van land Y kent een vergelijkbare verzorgingsgedachte. Ook daar komt een einde aan de noodzaak tot verzorging door middel van een nabestaandenpensioen als een weduwe of weduwnaar hertrouwt. Doordat de pensioenregeling aldaar in deze situatie voorziet in de mogelijkheid tot het doen van een eenmalige slotuitkering, is het einde alleen minder direct.
Deze eenmalige uitkering kan gelet op de tekst van de hiervoor vermelde voorwaarde I als afkoop worden opgevat. Een dergelijke eenmalige uitkering bij beëindiging van het nabestaandenpensioen houdt echter verband met het beëindigen van de noodzaak tot verzorging van de weduwe of weduwnaar bij hertrouwen. De uitkering heeft meer het karakter van een overgangsmaatregel naar een nieuwe situatie en komt daardoor niet in strijd met doel en strekking van het Nederlandse afkoopverbod. Daarmee kan de conclusie worden getrokken dat deze eenmalige uitkering bij beëindiging van het nabestaandenpensioen niet in de weg staat aan de toepassing van de subjectieve vrijstelling van artikel 5, eerste lid, onderdeel b, Wet Vpb 1969.