KG:211:2026:31 Voorwaarde van minimumleeftijd of -loonbedrag voor deelname aan pensioenregeling vormt voor buitenlands pensioenlichaam geen verhindering voor toepassing artikel 5, eerste lid, onderdeel b, Wet Vpb 1969
Publicatiedatum 06-08-2026, 10:11 | Laatste update 06-08-2026, 10:11 |
Aanleiding
X is een naar het recht van land Y opgericht en feitelijk aldaar gevestigd pensioenlichaam. De werkzaamheden van X bestaan uit het uitvoeren van een pensioenregeling voor werknemers en gewezen werknemers, hun partners en hun kinderen. Een werknemer kan pas deelnemen aan de pensioenregeling wanneer de werknemer een minimumleeftijd en een bepaald minimum loonbedrag heeft. Bereikt de werknemer de minimumleeftijd en het minimum loonbedrag dan neemt de werknemer vanaf dat moment automatisch deel aan de pensioenregeling.
In het kader van de uitvoering van de pensioenregeling belegt X in Nederlandse aandelen, waarbij op uitgekeerd dividend dividendbelasting is ingehouden. X verzoekt om een teruggaaf van te zijnen laste ingehouden dividendbelasting (artikel 10, tweede of derde lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965). Om in aanmerking te komen voor deze teruggaafregeling, is onder meer vereist dat belanghebbende, als zij in Nederland zou zijn gevestigd, subjectief zou zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting (artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 juncto artikel 3 Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971, hierna: de pensioenvrijstelling). Het beleid hierover is opgenomen in de onderdelen 3.3 en 3.4 van het beleidsbesluit van 25 november 2019, nr. 2019-187751 (hierna: het besluit). In het kader van de beoordeling of aan dit beleid is voldaan, is de volgende vraag opgekomen.
Vraag
Staat een voorwaarde van een minimumleeftijd of van een minimum loonbedrag voor deelname aan de pensioenregeling bij het buitenlandse pensioenlichaam X voor X in de weg aan de toepassing van de pensioenvrijstelling?
Antwoord
Nee, een voorwaarde van een minimumleeftijd of van een minimum loonbedrag voor deelname aan de pensioenregeling staat voor het buitenlandse pensioenlichaam X niet in de weg aan de toepassing van de pensioenvrijstelling. Om voor deze vrijstelling in aanmerking te komen is uiteraard wel vereist dat aan alle voorwaarden van onderdeel 3.3 van het besluit wordt voldaan. De beoordeling hiervan is voorbehouden aan de bevoegde inspecteur.
Beschouwing
In onderdeel 3.3.1 van het besluit zijn de cumulatieve voorwaarden opgenomen waaraan een in het buitenland gevestigd pensioenlichaam en de buitenlandse pensioenregeling moeten voldoen om een beroep te kunnen doen op de pensioenvrijstelling. Met dit onderdeel wordt invulling gegeven aan de vraag waaraan een buitenlandse regeling moet voldoen om naar aard en strekking overeen te komen met een regeling als bedoeld in artikel 1 Pensioenwet, respectievelijk de wettelijke bepalingen betreffende de loonbelasting (zie artikel 5, derde lid, onderdeel a, Wet Vpb 1969).
Eén van de voorwaarden in onderdeel 3.3.1 is voorwaarde F. Voor zover relevant voor de casus is hierin opgenomen dat voor werknemers een in beginsel verplichte deelname aan de pensioenregeling van de werkgever geldt.
De achtergrond van deze voorwaarde is dat als een Nederlandse werkgever een pensioenregeling heeft voor zijn werknemers die voldoen aan de voorwaarden voor deelname daaraan in beginsel een automatische en verplichte deelname geldt.
Nederland kent ook een minimumleeftijd voor de (verplichte) deelname aan een pensioenregeling. Sinds 1 januari 2024 is deze zogenoemde toetredingsleeftijd 18 jaar, maar toetreding vindt eerder plaats als de regeling daarin voorziet. De opbouw van pensioen vindt plaats over de pensioengrondslag. Dit is het pensioengevende loon minus de zogenoemde AOW-franchise. Dit betekent dat opbouw van pensioen pas plaatsvindt als het loon boven de AOW-franchise komt. In die zin kennen Nederlandse pensioenregelingen ook een minimum loonbedrag waarboven pas pensioenopbouw kan plaatsvinden. De voorwaarden voor automatische toegang tot de pensioenregeling uit de casus lijkt hier (materieel) zodanig sterk op dat aard en strekking van deze buitenlandse pensioenregeling niet in die mate anders zijn dat de regeling niet meer vergelijkbaar is met een Nederlandse pensioenregeling.
De voorwaarde van een minimumleeftijd of van een minimum loonbedrag voor deelname aan de buitenlandse pensioenregeling van X staat voor X niet in de weg aan de toepassing van de pensioenvrijstelling.