Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de footer

KG:212:2022:10 Geruisloze doorschuiving na overlijden, (impliciet) verzoek. Artikel 3.62 Wet IB 2001

Aanleiding

A en B, gehuwd in gemeenschap van goederen, hebben vanaf 2012 een samenwerkingsverband. In 2015 komt A te overlijden, B zet de onderneming voort.

In de overlijdensaangifte van A is in de winstbijlage van het samenwerkingsverband een kruisje gezet bij doorschuiving, maar niet in de winstbijlage die het buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen weergeeft. Bij het overlijden van A is alleen afgerekend over de fiscale oudedagsreserve.

Er is geen separaat verzoek om geruisloze doorschuiving gedaan. In de aangifte van B, die de onderneming heeft voortgezet, is geen kruisje gezet bij doorschuiving. B is doorgegaan met de boekwaarden die volgen uit de aangifte van A. In een later jaar verkoopt B de onderneming en wil daarbij uitgaan van de boekwaarden die zonder geruisloze doorschuiving zouden zijn ontstaan. Artikel 3.62 Wet IB 2001 had volgens B niet toegepast mogen worden omdat een daartoe noodzakelijk verzoek ontbrak.

Vraag

Is in 2015 een verzoek om geruisloze doorschuiving op basis van artikel 3.62 Wet IB 2001 gedaan?

Antwoord

Ja, er is sprake van een (impliciet) verzoek.

Beschouwing

In artikel 3.62 Wet IB 2001 is het volgende over geruisloos doorschuiven bij staking door overlijden opgenomen:

“Artikel 3.58 vindt geen toepassing met betrekking tot de bestanddelen van het vermogen van een onderneming waarmee een of meer van degenen aan wie die bestanddelen krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht toekomen, de onderneming rechtstreeks voortzetten of mede voortzetten, mits degenen die de onderneming voortzetten of mede voortzetten dit bij de aangifte van de overleden belastingplichtige verzoeken.”

De tekst uit artikel 3.62 Wet IB 2001:

“mits degenen die de onderneming voorzetten dit bij de aangifte van de overleden belastingplichtige verzoeken”

moet zo worden uitgelegd dat als geen schriftelijk verzoek is gedaan om geruisloze doorschuiving, bekeken moet worden of uit de feiten en omstandigheden volgt dat bij de aangifte van de overleden belastingplichtige (impliciet) een verzoek is gedaan.

In de aangifte van A is bij de winstbijlage van het samenwerkingsverband een kruisje gezet bij doorschuiving. Daarmee is in de aangifte het verzoek gedaan. Dat geen kruisje is gezet in de winstbijlage waarin het buitenvennootschappelijk vermogen is opgenomen is niet relevant, nu deze zaken als zodanig geen aparte onderneming (die al dan niet zou kunnen worden doorgeschoven) vormen. In de aangifte van B is geen kruisje gezet. Dit feit is voor de beoordeling van de casus zonder betekenis omdat de wettekst geen gezamenlijk verzoek vereist.

Als met het kruisje in de aangifte van de overledene al geen sprake zou zijn van een verzoek als bedoeld in artikel 3.62 Wet IB 2001, dan is nog het volgende van belang. B is doorgegaan met de boekwaarden die volgen uit de aangifte van A. Dit kan alleen als sprake is van een geruisloze doorschuiving op basis van artikel 3.62 Wet IB 2001. Een verzoek kan ook impliciet worden gedaan door te handelen als passend zou zijn bij een geruisloze doorschuiving. In deze casus is door het doorgaan met de boekwaarden die volgen uit de aangifte van A sprake van een impliciet verzoek, zeker in combinatie met het kruisje in de aangifte van de overledene.

De Hoge Raad besliste op 7 februari 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AU7750) dat een verzoek om een fiscale eenheid ook impliciet kan worden gedaan. Hetzelfde geldt voor een verzoek om toepassing van de geruisloze doorschuiffaciliteit van artikel 3.62 Wet IB 2001.

De conclusie is derhalve dat in 2015 een verzoek om geruisloze doorschuiving op basis van artikel 3.62 Wet IB 2001 is gedaan.

Deel deze pagina

Op deze pagina