Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de footer

KG:212:2022:9 Bij regiewerkzaamheden sprake van aanschaffingskosten?

Aanleiding

Ondernemer X koopt een pand dat hij wil laten herontwikkelen tot een zeer duurzaam gerenoveerd gebouw dat voldoet aan de Milieulijst. Daartoe schakelt hij bedrijf Y in dat gespecialiseerd is in project- en bouwmanagement. Y brengt een offerte uit voor de herontwikkeling van het pand in fases, van haalbaarheidsonderzoek tot en met uitvoering en oplevering. De werkzaamheden zullen daarbij in regie worden uitgevoerd, dat wil zeggen dat de kosten van de in te schakelen uitvoerende bedrijven worden betaald door c.q. doorbelast aan X. Daarnaast wordt een uurtarief afgesproken voor de werkzaamheden van medewerkers van Y. De offerte wordt door X aanvaard, waarbij wordt aangegeven dat de begroting/kostenraming taakstellend is. X is gedurende de uitvoering bij het project aanwezig voor benodigd overleg met Y. 

Binnen drie maanden na aanvaarding van de offerte door X wordt de investering voor het begrote bedrag gemeld bij RVO.

Vraag

Is bij het aanvaarden van de offerte sprake van het aangaan van een verplichting ter zake van de aanschaffing of verbetering (hierna: aanschaffingskosten) of van voortbrengingskosten in de zin van artikel 3.43, eerste lid, Wet IB 2001?

Antwoord

Bij het aanvaarden van de offerte is sprake van aanschaffingskosten. Van belang hiervoor is dat X bij Y de oplevering van het bedrijfsmiddel in voltooide staat overeenkomstig de gemaakte afspraken heeft bedongen.

Beschouwing

Wettelijk kader

Artikel 3.43, eerste lid, Wet IB 2001 omschrijft investeren als volgt:

“Onder investeren wordt verstaan het aangaan van verplichtingen ter zake van de aanschaffing of de verbetering van een bedrijfsmiddel, alsmede het maken van voortbrengingskosten ter zake van een bedrijfsmiddel, voorzover die verplichtingen en kosten op de belastingplichtige drukken.”

Rechtspraak

In de jurisprudentie zijn een aantal uitspraken te vinden die richting kunnen bieden bij de beoordeling van dit soort casus.

In een uitspraak van Hof Den Haag van 12 februari 1960, ECLI:NL:GHSGR:1960:AX8140, is overwogen dat bij een regie-opdracht geen voltooid werk wordt besteld, en dat er derhalve geen sprake zal zijn van aanschaffingskosten maar van voortbrengingskosten.

In een uitspraak van Hof Amsterdam van 17 oktober 1969, ECLI:NL:GHAMS:1969:AX5326, had de beoordeelde overeenkomst alle kenmerken van regie (doorbelasten van lonen en kosten met een opslag). Het Hof constateerde dat beslissend is of hetgeen was overeengekomen inhield dat de opdrachtnemer van de ondernemer aannam het bouwen van de opstallen tegen een bepaalde althans bepaalbare prijs. Op basis van de feiten concludeert het Hof dat de opdrachtnemer zich verplichtte tot het leveren van een voltooid werk. De staatssecretaris merkt op:

“N.m.m. komt het voor de beslissing van het onderwerpelijke geschilpunt aan op het antwoord op de vraag of belangh. in jan. 1965 tegenover het aannemersbedrijf B NV de oplevering in voltooide staat van de in het bestek en voorwaarden met bijbehorende tekeningen heeft bedongen, anders gezegd, of belangh. in jan. 1965 bij voormeld aannemersbedrijf die gebouwen heeft besteld, dan wel of belangh. slechts overeenkwam, dat zij met behulp van het aannemersbedrijf zelf zou gaan bouwen. 's-Hofs beslissing, dat zich te dezen eerstbedoelde situatie heeft voorgedaan, acht ik van feitelijke aard, voldoende met redenen omkleed en mitsdien in cassatie onaantastbaar. Aan de juistheid van 's Hofs beslissing doet naar mijn mening niet af, dat belangh. de opdracht niet tegen een vaste bouwsom, doch op basis van een begrote prijs heeft verstrekt.”

Een min of meer vergelijkbare casus zien we met Hof Den Bosch van 6 oktober 1994, V-N 1995/2685, 20. Ook daar een duidelijke regie-overeenkomst met een voltooid werk als bedongen prestatie. Er was volgens het hof geen sprake van voortbrengingskosten.

Deze uitspraken lijken in lijn te liggen met een arrest van de Hoge Raad van 1 juni 1960, ECLI:NL:HR:1960:AY0631. Daarin overwoog de Hoge Raad:

“…dat echter voor de bestaanbaarheid van een koopovereenkomst niet is vereist dat reeds bij het aangaan der overeenkomst de koopprijs vaststaat, doch slechts dat deze bepaalbaar is, terwijl, indien deze, zoals hier, bepaald moet worden op den grondslag van bouwkosten, welke afhankelijk zijn van hetgeen de verkoper alsnog moet overeenkomen met een derde, de door het Hof veronderstelde mogelijkheid, dat die kosten dermate zouden verschillen van hetgeen den koper voor ogen heeft gestaan dat de verkoper hem daaraan niet kan houden, niet wegneemt, dat partijen, zij het onder het voorbehoud dat die kosten binnen bepaalde grenzen zullen blijven, aan elkaar gebonden zijn;”

Op basis van de jurisprudentie zou het volgende onderscheid kunnen worden gemaakt:

  • Als in een overeenkomst het te bouwen object voldoende duidelijk is omschreven, zal het object van de prestatie de oplevering van een voltooid werk inhouden. De bouwprijs moet bepaalbaar zijn, maar hoeft niet vast te staan. Er is dan sprake van het aangaan van een verplichting.
  • Als het te bouwen object nog onvoldoende duidelijk vaststaat, zal het object van de prestatie zijn het verrichten van diensten om de opdrachtgever in staat te stellen zelf het object tot stand te brengen. De bouwprijs is bij aanvang niet bepaalbaar. Er is dan sprake van het maken van voortbrengingskosten.

Gevolgen voor de casus

Er is sprake van een aanvaarde offerte van een bedrijf dat gespecialiseerd is in project- en bouwmanagement. Uit die offerte blijkt (in samenhang met andere documenten) voldoende wat het door de ondernemer X gewenste eindresultaat is en tegen welke kosten dat bij benadering gerealiseerd kan gaan worden door de inspanningen van Y. Hoewel X steeds beschikbaar is voor overleg over het project kan niet worden gesteld dat X zelf de realisatie van het project op zich heeft genomen en dat hij daarbij slechts door Y is bijgestaan. De afspraken met Y hebben meer het karakter van een overeenkomst waarbij Y zich verbindt een voltooid werk op te leveren tegen een vooraf bepaalde of bepaalbare prijs. Dat de opdrachtnemer hier geen aannemer is maar een andersoortig bedrijf doet hier niet aan af, nu bij een aannemer ook niet vereist zou zijn dat die een deel van de werkzaamheden zelf uitvoert en niet uitbesteed aan onderaannemers.

Dat betekent dat bij het aanvaarden van de offerte een verplichting is aangegaan in de zin van artikel 3.43 Wet IB 2001.

Deel deze pagina

Op deze pagina