Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de footer

KG:212:2023:7 Realisatie milieubedrijfsmiddel van een hogere categorie dan oorspronkelijk gemeld bij RVO

Aanleiding

In 2020 wordt een tijdige melding bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) gedaan voor een duurzame melkveestal, Milieulijst 2020 code A 2210; de investering bedraagt € 1 miljoen. De hierbij passende milieu-investeringsaftrek (hierna: MIA) bedraagt 27%. Tijdens de bouw besluit de ondernemer een melkveestal van een hogere categorie te realiseren, waarvoor een hoger percentage (36%) aan milieu-investeringsaftrek geldt. Om voor de hogere categorie in aanmerking te komen heeft er in 2021 een extra investering van € 100.000 plaatsgevonden. In 2021 wordt een stalcertificaat afgegeven voor een “duurzame melkveestal met weidegang” zoals omschreven in de hogere categorie, onder code F 2212.

Vraag

Bestaat recht op 36% MIA?

Antwoord

Ja, voor de gemelde investering van € 1 miljoen bestaat recht op 36% MIA. Voor de extra investering van € 100.000 bestaat recht op 36% MIA als deze tijdig gemeld is bij RVO.

Beschouwing

Om MIA te kunnen claimen dient aan een aantal voorwaarden te worden voldaan. Artikel 3.42a van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) in samenhang met de Meldingsregeling milieu-investeringsaftrek 2001 bepaalt binnen welke termijn de investering bij RVO gemeld dient te worden.

Voor onderhavige casus betekent dit dat de initiële investering binnen 3 maanden na het aangaan van de verplichting bij RVO gemeld dient te worden. De investering in het latere jaar dient aangemerkt te worden als (onderdeel van) voortbrengingskosten. Deze dienen gemeld te worden binnen 3 maanden na afloop van het kalenderkwartaal waarin de voortbrengingskosten zijn gemaakt.

De vraag komt op voor welk percentage MIA geclaimd kan worden. Er is immers gemeld voor een lagere categorie (27%) dan dat opgeleverd is (36%) ter zake van dezelfde investering. Alhoewel gesteld zou kunnen worden dat uiteindelijk een milieubedrijfsmiddel wordt opgeleverd dat niet gemeld is, waardoor geen recht zou bestaan op 36% MIA, past deze uitleg niet bij de doelstelling van de regeling. Doelstelling van de MIA is ondernemers te stimuleren om te investeren in milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen. Om die reden is het niet passend om enkel naar de initiële melding te kijken, maar is bepalend welk milieubedrijfsmiddel uiteindelijk gerealiseerd is en voor welke milieucode een definitief certificaat is afgegeven. In de onderhavige situatie wordt een melkveestal van een hogere categorie gerealiseerd en wordt daarvoor uiteindelijk ook een definitief certificaat afgegeven. Daarvoor geldt dan het hogere percentage MIA (36%). Voor de extra investering geldt hetzelfde, tenzij deze niet, dan wel niet tijdig, is gemeld.

Lagere categorie

In de casus is gegeven dat een milieubedrijfsmiddel van een hogere categorie is opgeleverd. Het omgekeerde kan ook voorkomen: er wordt een milieubedrijfsmiddel van een lagere categorie opgeleverd. Als de aanschaffings- of voortbrengingskosten vallen binnen de omvang van de oorspronkelijke melding bij RVO is geen (vervolg)melding noodzakelijk, er wordt immers niet meer geïnvesteerd dan reeds gemeld is ter zake van dezelfde investering. Op basis van het definitieve certificaat, van een lagere categorie, zal een lager percentage aan MIA van toepassing zijn.

Deel deze pagina

Op deze pagina