KG:212:2025:1 Uitsluiting van vergunningen als bedrijfsmiddel voor investeringsaftrek
Publicatiedatum 31-03-2025, 10:29 | Laatste update 31-03-2025, 10:29 |
Aanleiding
De Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) bepaalt dat, voor de toepassing van investeringsaftrek, vergunningen niet als bedrijfsmiddel worden beschouwd. Op de milieulijst komen duurzame gebouwen voor die kwalificeren voor de milieu-investeringsaftrek. Tot de kostprijs van een dergelijk bedrijfsmiddel behoren vaak ook de kosten van leges voor de afgifte van een omgevingsvergunning. Daarvan is sprake indien en voor zover de omgevingsvergunning betrekking heeft op het gebouw.
Vraag
Komen de kosten die gemaakt zijn voor een vergunning in aanmerking voor investeringsaftrek indien deze kosten onderdeel uitmaken van de investeringskosten van een kwalificerend bedrijfsmiddel?
Antwoord
Ja. De in artikel 3.45, eerste lid, onderdeel f, Wet IB 2001 bedoelde uitsluiting van vergunningen als bedrijfsmiddel voor de investeringsaftrek heeft betrekking op vergunningen die aan te merken zijn als een zelfstandig bedrijfsmiddel. Als de kosten van een vergunning onderdeel uitmaken van de aanschaf- of voortbrengingskosten van een niet-uitgesloten bedrijfsmiddel is de beperking niet van toepassing.
Beschouwing
Artikel 3.45, eerste lid, Wet IB 2001 bepaalt:
Voor de investeringsaftrek behoren niet tot de bedrijfsmiddelen:
a. bedrijfsmiddelen die zijn bestemd om — direct of indirect — hoofdzakelijk te worden gebruikt:
1° voor de uitoefening van het bosbedrijf als bedoeld in artikel 3.11, eerste lid, tenzij de voordelen daaruit volgens artikel 3.11, tweede lid, tot de winst behoren;
2° voor het drijven van een onderneming, of een gedeelte van een onderneming, op de winst waarvan een regeling ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is;
b. gronden, met inbegrip van de ondergrond van gebouwen, met uitzondering van verbetering van grond indien de verbeteringskosten plegen te worden afgeschreven;
c. woonhuizen en woonschepen, met inbegrip van de gedeelten van andere zaken die dienen voor bewoning;
d. personenauto's als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992, die niet zijn bestemd voor het beroepsvervoer over de weg;
e. vaartuigen als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, onderdeel b;
f. effecten, vorderingen, goodwill alsmede vergunningen, ontheffingen, concessies en andere dispensaties van publiekrechtelijke aard en
g. dieren.
Gerechtshof Leeuwarden 30 april 1982, ECLI:NL:GHLEE:1982:AW8720, overweegt in een uitspraak over investeringsaftrek:
"[...] dat uit de onder de vaststaande feiten vermelde brieven van B en W duidelijk blijkt, dat aan belanghebbende, indien hij het bedrag van f 14 814 niet in het parkeerfonds had gestort, de bouwvergunning niet zou zijn verleend, zodat hij alsdan het bedrijfsmiddel niet had kunnen bouwen; dat onder die omstandigheden de storting in het parkeerfonds, evenals de legeskosten ter zake van de bouwvergunning, die - naar tussen partijen niet in geschil is - tot de aanschaffingskosten behoren, eveneens tot de aanschaffingskosten moet worden gerekend; [...]"
Het Hof toetst - aan de hand van de feiten en omstandigheden - of bepaalde kosten tot de aanschafkosten van een meer omvattend kwalificerend bedrijfsmiddel behoren. Als dat het geval is dan is niet relevant of die kosten zijn gemaakt voor een in de uitsluitingsbepaling genoemd onderdeel.
In een uitspraak van Gerechtshof Den Haag 24 februari 2004, ECLI:NL:GHSGR:2004:AO5788, constateert het Hof:
"De slooptonnage en de boete zijn naar het oordeel van het Hof op één lijn te stellen met investeringen in "vergunningen, ontheffingen, concessies en andere dispensaties van publiekrechtelijke aard" als bedoeld in artikel 11, lid 5, onderdeel g, van de Wet en zijn geen investeringen in een nieuw schip."
Het Hof constateert in deze casus - aan de hand van de feiten en omstandigheden - dat de betreffende kosten los van het schip als bedrijfsmiddel kwalificeren en een zelfstandige status hebben. Als de conclusie van het Hof zou zijn geweest dat de kosten wel een investering in het nieuwe schip zouden zijn, dan zou de uitsluiting voor investeringsaftrek niet van toepassing zijn.
In het Besluit van 2 april 2001, nr. CPP2001/784 M, stelt de staatssecretaris met betrekking tot pluimveerechten:
"(…) Mij is de vraag voorgelegd of een investering in pluimveerechten kan worden aangemerkt als een investering in een bedrijfsmiddel waarop kan worden afgeschreven en waarvoor recht bestaat op investeringsaftrek. Alle pluimveerechten zijn overdraagbaar en onder voorwaarden verhandelbaar. Om die reden kunnen pluimveerechten als een zelfstandig bedrijfsmiddel worden beschouwd. [...] Ingevolge de uitsluitingsbepaling van artikel 3.45, eerste lid, onderdeel g, Wet inkomstenbelasting 2001 bestaat voor pluimveerechten geen recht op investeringsaftrek. (…)"
In het besluit van 8 maart 2006, nr. CPP2005/1463M is vorenstaand besluit samengevoegd met andere besluiten. Bij het samenvoegen is opgemerkt dat geen inhoudelijke wijziging is beoogt en is de aangehaalde passage niet meer opgenomen omdat het een voorlichtend karakter betreft. Net als in de casus van Gerechtshof Den Haag beoordeelt de staatssecretaris of de in geschil zijnde investering al dan niet als een zelfstandig bedrijfsmiddel valt aan te merken. Zo ja, dan (en alleen dan) acht hij de uitsluitingsbepaling van toepassing.
Tenslotte verdient opmerking dat in enkele van de in artikel 3.45, eerste lid, Wet IB 2001 genoemde bedrijfsmiddelen expliciet wordt vermeld dat de uitsluiting ook geldt indien de genoemde zaak onderdeel is van een groter geheel. Zoals "gronden, met inbegrip van de ondergrond van gebouwen" en "woonhuizen en woonschepen, met inbegrip van de gedeelten van andere zaken die dienen voor bewoning". Daaruit kan a contrario worden afgeleid dat bij andere specifiek genoemde bedrijfsmiddelen (zoals vergunningen) de uitsluiting niet geldt als de vergunning opgaat in een ander bedrijfsmiddel.
Gelet op het voorgaande moet de conclusie zijn dat de kosten voor een vergunning slechts dan niet in aanmerking komen voor investeringsaftrek indien de vergunning als zelfstandig bedrijfsmiddel moet worden aangemerkt. Als de kosten voor een vergunning opgaan in een meer omvattend kwalificerend bedrijfsmiddel is de uitsluitingsbepaling van artikel 3.45, eerste lid, onderdeel f, Wet IB 2001 niet van toepassing. Of dat het geval is hangt af van de feiten en omstandigheden. De weging van de feiten is in eerste instantie voorbehouden aan de inspecteur.