KG:213:2026:6 Ruilarresten herstructurering beleggers
Publicatiedatum 23-07-2026, 10:31 | Laatste update 23-07-2026, 10:31 |
Aanleiding
Een financiële instelling biedt discretionair portefeuillebeheer aan haar klanten (rechtspersonen) aan. Zij is voornemens om dit beheer anders vorm te gaan geven. Klanten beleggen dan niet langer rechtstreeks in individuele effecten (aandelen, obligaties etc.), maar verkrijgen participaties in fondsen die de financiële instelling aanbiedt. De inbreng van de effecten geschiedt tegen de marktwaarde en de klanten krijgen voor hetzelfde bedrag participaties in de fondsen toegekend. De individuele effecten worden overgeheveld naar een (niet-transparante) fonds met een fbi-status. De fondsen maken gebruik van de herbeleggingsreserve.
Vraag
Kunnen de ruilarresten worden toegepast op het gerealiseerde resultaat dat de klanten behalen met de vervreemding van de effecten?
Antwoord
Nee, de ruilarresten kunnen niet worden toegepast op het gerealiseerde resultaat, aangezien een rechtstreeks gehouden effectenportefeuille niet van geheel gelijke aard is als een participatie in een fbi.
Beschouwing
In KG:213:2024:8 heeft de Kennisgroep een algemeen kader geschetst met betrekking tot de ruilgedachte. Daarin is het volgende opgenomen:
“1. Algemeen kader: de ruilgedachte
De vraag komt er op neer of in de voorliggende gevallen (zoals beschreven) de ruilgedachte van de ruilarresten kunnen worden toegepast. De ruilarresten kunnen in beginsel toepassing vinden bij ruil van alle soorten activa (HR 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1393). De ruilgedachte komt er op neer dat:
“indien de vervreemding geschiedt in de vorm van een ruil, het in ruil verkregen goed (activum) niet steeds als opbrengst behoeft te worden beschouwd; dat dit bepaaldelijk niet het geval is, wanneer, (zoals hier), een bedrijfsmiddel (activum) wordt geruild tegen een van dezelfde aard, in welk geval het verkregen bedrijfsmiddel (activum) in het bedrijfsvermogen de plaats inneemt van het vervreemde; (...)” (zie HR 4 april 1951, ECLI:NL:HR:1951:258).
Op een belanghebbende rust de bewijslast dat een beroep kan worden gedaan op de ruilarresten (vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 9 augustus 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:7032).
De ruilgedachte heeft ten doel de in de boekwaarde van enig activum aanwezige stille reserve te laten verhuizen naar de boekwaarde van een vervangend activum (zie HR 26 april 1978, ECLI:NL:HR:1978:AX2941).
Voor uitstel van winstneming is vereist dat de betreffende activa zowel functioneel als economisch dezelfde - althans economisch gelijkwaardige - plaats innemen (vgl. ECLI:NL:HR:2010:BO1393 en ECLI:NL:HR:2014:1183).
Voor effecten geldt in dit opzicht een strenge eis.
“Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 23 juni 1999, nr. 34 021, ECLI:NL:HR:1999:AA2780, is ter zake van de vervreemding van effecten voor toepassing van de ruilgedachte vereist dat de nieuw gekochte effecten van geheel gelijke aard zijn als de verkochte effecten en mitsdien in economische zin dezelfde plaats innemen in de effectenportefeuille van de belastingplichtige.”
Uit de eis “geheel gelijke aard” volgt dat verschillen, zoals rendement en risico, van dien aard kunnen zijn dat effecten in economische zin niet dezelfde positie innemen (zie HR 16 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX8619 en HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1999).
Van gelijke aard en mitsdien economisch dezelfde plaats is sprake indien hetgeen is verkregen geschikt en bestemd is voor hetzelfde doel, ervan uitgaande dat tussen beide geen aanmerkelijk verschil in waarde bestaat (HR 31 oktober 1956, ECLI:NL:HR:1956:AY2161) of andere voor de onderneming relevante verschillen. Dit vanuit de notie dat activa naar zijn aard zozeer kunnen verschillen dat toepassing van de ruilgedachte zonder verdere motivering niet mogelijk is (HR 3 maart 1982, ECLI:NL:HR:1982:AW9357).
Voor het doel van het bezit is onder meer van belang de economische betekenis van het bezit (vgl. HR 10 februari 1960, ECLI:NL:HR:1960:AY0698).
Voor de aanwezigheid van geheel gelijke aard is van belang dat sprake is van economisch relevante kenmerken die beantwoorden aan hetzelfde doel (HR 31 oktober 1956, ECLI:NL:HR:1956:AY2161) c.q. dezelfde functie (HR 20 november 1957, ECLI:NL:HR:1957:AY1860) en daarmee naar verwachting hetzelfde resultaat oplevert. Het gaat om een gelijke betekenis (onder meer bijdrage aan resultaat en omzet) voor de onderneming in het kader van economisch dezelfde plaats.
Dat is niet het geval als de fiscale gevolgen anders zijn, in ieder geval wezenlijk anders. In dat geval kan in het algemeen de functie c.q. de betekenis en daarmee het doel niet dezelfde zijn (vgl. HR 3 mei 1961, ECLI:NL:HR:1961:AX8194 en HR 16 december 1981, ECLI:NL:HR:1981:AW9326). Zo heeft ook een oud, naar verhouding minderwaardig bedrijfsmiddel, een andere betekenis dan een nieuw, naar verhouding meerderwaardig bedrijfsmiddel (vgl. HR 4 januari 1956, ECLI:NL:HR:1956:AY1981). Een andere betekenis en daarmee doel is bijvoorbeeld een verkregen bedrijfsmiddel met als voornaamste betekenis geschikte grond voor nieuwbouw (HR 20 november 1957, ECLI:NL:HR:1957:AY1860) of dat nog voor diverse doeleinden geschikt kan worden gemaakt (HR 3 juli 1967, ECLI:NL:HR:1967:AX6090). Ook is anders de economische betekenis van beursgenoteerde aandelen die na storting worden omgeruild voor aandelen in een dochtermaatschappij (HR 7 maart 1962, ECLI:NL:HR:1962:AX8031).
Al mogen activa van gelijke aard zijn, kan gelet op aanmerkelijke of zodanige waardeverschillen (HR 23 juni 1954, ECLI:NL:HR:1954:AY2917, HR 27 oktober 1957, ECLI:NL:HR:1954:AY2986 en HR 23 juni 1976, ECLI:NL:HR:1976:AX3679), relevante ouderdom (HR 24 november 1954, ECLI:NL:HR:1954:AY2367 en HR 4 januari 1956, ECLI:NL:HR:1956:AY1981) en andere specifieke doelen duidelijk zijn dat daardoor economisch niet dezelfde plaats wordt ingenomen. Bij dit alles is van belang dat de economische betekenis bij beleggingen moet worden bezien vanuit de betekenis/plaats voor/in de beleggingsportefeuille. Ook dat, zoals de Hoge Raad het heeft verwoord in het arrest van 3 mei 1961 (zie hiervoor), ”geheel andere – voor een beleggingsportefeuille van essentiële betekenis zijnde – fiscale gevolgen verbonden” kunnen zijn.
Indien er daarbinnen meerdere portefeuilles zijn, bijvoorbeeld vastgoed naast een effectenportefeuille, dient dat ook in ogenschouw te worden genomen. (vgl. voor onroerend goed en handelsvoorraad Hof Arnhem-Leeuwarden 9 augustus 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:7032). Tegen deze achtergrond moet worden beoordeeld of sprake is van “geheel gelijke aard” en daarmee de ruilarresten van toepassing zijn.”
Bovenstaand algemeen kader moet ook worden toegepast op de onderhavige situatie. In plaats van rechtstreeks gehouden aandelen verkrijgen de klanten participaties in een fonds met fbi-status die dezelfde effectenportefeuille vertegenwoordigt. “Van geheel gelijke aard” moet worden uitgelegd vanuit de positie van de belegger (de klanten). Vanuit de positie van de belegger dient het “nieuwe” zowel functioneel als economisch dezelfde plaats in te nemen en vanuit dat oogpunt dus van geheel gelijke aard te zijn.
Het betreft in casu weliswaar dezelfde effectenportefeuille, maar de wijze waarop deze in het vermogen van de klanten tot uitdrukking komt verschilt. Dit wordt ook bevestigd door de andere fiscale behandeling bij de fbi ten opzichte van de fiscale behandeling bij de belastingplichtigen. Fiscale verschillen zijn onder andere:
- Het moment van belastingheffing op gerealiseerde koersresultaten. Bij verkoop van direct gehouden aandelen wordt het koersresultaat in het jaar van verkoop in de heffing betrokken. De koersresultaten van aandelen gehouden door een fbi-fonds daarentegen komen bij de belastingplichtigen niet direct tot uitdrukking en zijn afhankelijk van de waarderingsmethode van de participaties. Uitstel van heffing is daarom mogelijk tot het moment dat de belastingplichtigen de participaties in het fbi-fonds realiseren;
- De fbi zal gebruik maken van de herbeleggingsreserve. Hiermee is het voor de fbi mogelijk om koerswinsten niet in het door uit te delen resultaat te betrekken, waarmee belastingplichtigen per saldo (nog) niet in de heffing van vennootschapsbelasting zullen worden betrokken voor die resultaten;
- Het moment van belastingheffing over een dividenduitkering. Dividenden uit individuele aandelen worden in het jaar van ontvangst in aanmerking genomen. Een fbi dient binnen acht maanden na het einde van het boekjaar haar voor uitdeling beschikbare winst uit te keren;
- De verrekening van ingehouden dividendbelasting of buitenlandse bronbelasting. Door de tussenschakeling van de fbi wordt eventuele buitenlandse bronbelasting effectief getransformeerd in Nederlandse dividendbelasting. Hierdoor is de verrekening van bronbelasting op grond van art. 36 Besluit Voorkoming Dubbele Belasting 2001 niet langer aan de orde voor de belastingplichtigen, wat tot een verschil in verrekeningsmogelijkheden kan leiden.
Ondanks dat het fbi regime beoogt om de belastingdruk op beleggingsopbrengsten via een beleggingsfonds zo veel mogelijk gelijk te doen zijn aan de belastingdruk bij rechtstreeks beleggen (zie Kamerstukken II 1987/88, 20701, nr. 3, p. 6 e.v.) ontstaan er aanzienlijke fiscale verschillen in behandeling. Vanuit de positie van de belegger bezien nemen de aandelen en participaties daarom niet zowel functioneel als economisch gezien dezelfde plaats in en vanuit dat oogpunt zijn ze dus ook niet van geheel gelijke aard. De ruilgedachte is daarom niet van toepassing.