Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

KG:051:2026:4 Oversluiten eigenwoningschuld en al verstreken looptijd

Aanleiding

Een belastingplichtige heeft een eigen woning met een eigenwoningschuld, aangegaan onder het huidige recht, van € 200.000 met een verstreken looptijd van 60 maanden (5 jaren). De belastingplichtige sluit zijn eigenwoningschuld over naar een andere geldverstrekker. Tegelijkertijd gaat hij een nieuwe annuïtaire schuld van € 100.000 aan voor de verbouwing van zijn eigen woning. Beide schulden hebben een looptijd van 360 maanden.

Vraag

Is sprake van een eigenwoningschuld na het oversluiten en de verhoging van de totale schuld?

Antwoord

Nee.

Beschouwing

Oversluiten

Als een eigenwoningschuld wordt overgesloten voor eenzelfde of lager bedrag, moet voor de berekening van de nieuwe annuïteit het aflossingsschema op de voorgaande schuld op grond van artikel 3.119c, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) worden voortgezet bij de nieuwe schuld voor de resterende looptijd. Omdat in artikel 3.119a, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 2001 wordt verwezen naar het aflossen overeenkomstig artikel 3.119c Wet IB 2001 moet deze voortgezette aflossing ook als zodanig contractueel worden vastgelegd. De nieuwe schuld moet dus verdergaan met waar de oude schuld is gebleven qua stand en looptijd (Kamerstukken II 2013/14, 33756, nr. 3, p. 43-44 en Kamerstukken II 2013/14, 33950, nr. 3, p. 4-5).

Als de nieuwe schuld hier niet aan voldoet, gaat die schuld over naar box 3. Dat geldt voor beide schulden van € 200.000 en € 100.000 als geen van deze schulden verder gaan met de stand en looptijd van de voorgaande schuld.

Als voor de schuld van € 200.000 wel een looptijd was overeengekomen van 300 maanden, had voor de schuld van € 100.000 mogen worden uitgegaan van een looptijd van 360 maanden. Dit volgt uit de wetssystematiek en de parlementaire geschiedenis van artikel 3.119c Wet IB 2001. Hierin is namelijk bepaald dat op grond van artikel 3.119c, zesde lid, Wet IB 2001 slechts voor het meerdere mag worden uitgegaan van een schuld met een looptijd van 360 maanden als het aflossingsschema op de voorgaande schuld wordt voortgezet bij de nieuwe schuld voor de resterende looptijd (Kamerstukken II 2012/13, 33405, nr. 3, p. 27-28, Kamerstukken II 2013/14, 33756, nr. 3, p. 46-47 en Kamerstukken II 2013/14, 33950, nr. 3, p. 4-5). Dit betekent dat aan artikel 3.119c, zesde lid, Wet IB 2001 alleen wordt toegekomen als conform het derde lid van artikel 3.119c Wet IB 2001, voor in casu een bedrag van € 200.000, het aflossingsschema van de voorgaande schuld wordt voortgezet.

Het voorgaande is in overeenstemming met de situatie waarin een woning wordt vervreemd en een aflossingsstand ontstaat. Als in die situatie vervolgens in verband met de aankoop van een nieuwe woning schulden worden aangegaan, moet eerst de aflossingsstand volledig worden toegepast op de aangegane schulden voordat voor het restant van het leenbedrag een maximale looptijd van 360 maanden geldt. Zie KG:051:2022:4.

Conclusie

Zowel de schuld van € 200.000 als de schuld van € 100.000 kwalificeert voor de belastingplichtige niet als eigenwoningschuld in box 1. Als het aflossingsschema van de schuld van € 200.000 wordt aangepast conform artikel 3.119c, eerste lid, Wet IB 2001, kunnen beide schulden alsnog als eigenwoningschuld kwalificeren. Dit wel pas vanaf het moment van aanpassing.

Deel deze pagina